ACTA lijkt op dood spoor in het Europees Parlement en bij de Nederlandse regering. Er loopt nog een onderzoek bij het Europese Hof van Justitie naar de mogelijke aantasting van Europese grondrechten door ACTA. En in juli stemt het voltallige Europese parlement over de ratificatie van het verdrag. Het EP steunt D66-lid In 't Veld in een rechtszaak om alle documenten over ACTA boven tafel te krijgen. Zover gaat de Nederlandse regering niet. De VS hechten het meest aan geheimhouding, blijkt uit eerder via een WOB-procedure vrijgegeven stukken. Daarin staat ook duidelijk dat de verdragspartners zich verplichten tot nationale wetgeving, wat door voorstanders van het verdrag altijd is ontkend en ook niet met zoveel woorden is terug te vinden in de documenten die ter ratificatie zijn voorgelegd. Het is een reden te meer om ACTA nu definitief af te wijzen, maar we zullen nog even moeten afwachten of het inderdaad zover komt.
Ook in de VS is ACTA geen gelopen race. De handtekening die ambassadeur Ronald Kirk vorig jaar oktober in Tokio onder het verdrag zette is omstreden. Ook hier verzetten parlementariërs zich tegen het feit dat het verdrag in alle beslotenheid en zonder de nodige consultatie van volksvertegenwoordigers tot stand is gekomen, terwijl er toch zwaarwegende grondwettelijke kwesties mee gemoeid zijn. Anderzijds ijveren Amerikaanse parlementsleden voor allerlei nieuwe wetgeving (zoals CISPA) die de internetvrijheid ook aan banden legt. De VS proberen verder in het kader van het Trans-Pacific Partnership een met ACTA vergelijkbare bepaling over het handhaven van auteursrechten op het internet af te dwingen. Deze bepalingen kunnen een wijdere strekking krijgen als de VS in handelsovereenkomsten met andere landen dezelfde voorwaarden gaat stellen, zegt EFF (Electronic Frontier Organization), de Amerikaanse belangengroep voor een vrij internet.
De vrijheid van meningsuiting en de privacy op het internet zijn tot nu toe verre van gegarandeerd. Google draagt zijn steentje bij aan de openheid op dit gebied met zijn Transparency Report. Daarin kun je lezen welke auteursrechthebbenden en overheden hoe vaak verzocht hebben om bepaalde websites te blokkeren en wie bij Google gegevens heeft opgevraagd. Google levert deze overzichten gratis en ongevraagd. Dat is natuurlijk heel mooi. Maar daarmee zijn de rechten van de internetgebruiker nog niet gewaarborgd. Over het internet woedt een strijd waarin verdedigers van achterhaalde auteursrechten, bange en autoritaire overheden, politie, justitie, activisten tegen kinderporno en vele anderen hun belangen najagen zonder veel respect te tonen voor klassieke grondrechten van de burger om in vrijheid, onbespied te kunnen communiceren. Verdedigers van burgerrechten en volksvertegenwoordigers moeten alle zeilen bijzetten om digitale burgerrechten te realiseren. De politiek mist effectieve instrumenten om voor een geglobaliseerd fenomeen als het internet publieke rechten te garanderen. Het grote bedrijfsleven heeft via zijn input en lobby bij de totstandkoming van internationale verdragen zoals ACTA genoeg kansen om zijn belangen veilig te stellen. De macht van burgers die opkomen voor hun privacy is daarmee vergeleken ontoereikend. En de weg van een aanpassing van grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting, de privacy, het briefgeheim, aan de nieuwe situatie die het internet heeft gecreëerd is lang. Te lang misschien wel om een blijvende aantasting van grondrechten te voorkomen.
In de verkiezingsprogramma's is de urgentie van dit probleem nog niet overal zichtbaar. Hoezeer politici ook hechten aan het gebruik van internet en nieuwe media, de indruk blijft bestaan dat velen op dit gebied achterlopen -en dus niet in staat zijn voldoende tegenwicht te bieden tegen de particuliere belangen die burgers nu confronteren met voldongen feiten en een tekort aan rechten. Of de mist in gaan met onhandige voorstellen. "D66 snap niets van het internet" schrijft Brenno de Winter in HP/DeTijd naar aanleiding van de suggestie van deze partij om zogenaamde Ddos-aanvallen te legaliseren in het kader van de demonstratievrijheid. Dat leidde gisteren tot een haastige correctie. De partij is wel voor demonstratievrijheid op het internet, maar tegen het platleggen van sites. Iets dergelijks overkwam GroenLinks twee jaar geleden met een al te ruim geformuleerde passage over het auteursrecht waartegen een aantal bekende auteurs onmiddellijk protest aantekenden.
Vergelijk eens de aandacht die politici besteden aan regelgeving en investeringen in autowegen met hun inzet voor de publieke zaak op het internet. Hoeveel automobilisten telt Nederland? En hoeveel internetgebruikers? Zijn er grondrechten gemoeid met het verhogen van de maximum snelheid? Hoeveel deskundige opsporingscapaciteit is er beschikbaar voor cybercrime in vergelijking met de inzet van politie tegen verkeersovertredingen? Enzovoort. Hoe zwaar zal de urgentie van digitale rechten meewegen op 12 september? Bijna twintig jaar geleden kondigde de Amerikaanse vice-president Al Gore in een vergezicht over de toekomst van nieuwe communicatiemiddelen de komst van de elektronische of digitale snelweg aan. Voor hem zou dat op de eerste plaats een openbare snelweg worden ten dienste van de informatievoorziening van burgers, het onderwijs, de democratie. "Gore ziet de digitale supersnelweg als een soort elektronische bevrijding", schreef Francisco van Jole in 1994. Wat is er sindsdien gebeurd dat we van deze belofte zo zelden meer iets horen?
26 juni 2012
17 juni 2012
Chilling
Volgende week wordt de uitspraak van de rechtbank verwacht in de zaak tegen de vereniging van pedofielen Martijn. Het Openbaar Ministerie heeft in een civiel proces een verbod geëist "omdat
deze club een verzamelplek biedt aan onder anderen daders van
zedenmisdrijven"."De manier waarop Martijn pedofilie verheerlijkt en goedpraat, kan niet,
vindt het OM. Jongeren en hun ouders moeten dan ook beschermd worden
tegen de activiteiten van de vereniging. Het OM vindt dit in dit geval
belangrijker dan de vrijheid van vereniging." De advocaat van Martijn vindt de eis van het OM volstrekt onhaalbaar. De vereniging heeft geen strafbare feiten geplaagd. Een eerdere poging om de vereniging te verbieden via het strafrecht is mislukt. In 2006 mislukte een poging om een politieke partij voor pedofielen te verbieden.
Schrijver en econoom Anton Dautzenberg meldde zich uit protest tegen de hetze van de antipedofielen aan als lid van Martijn en kwam daar openlijk voor uit in de media. In De Groene van deze week beschrijft hij zijn ervaringen als beschermheer van een (volgens het vrijzinnige GroenLinkse kamerlid Dibi) "vereniging van vieze mannetjes met gore standpunten die walging en weerzin opwekken." Onbegrip was zijn deel. En niet alleen bij de pedojagers die vinden dat pedofielen "ongedierte" zijn "dat vernietigd moet worden." Maar ook bij sommige media. En in de politiek. Zijn pogingen om in gesprek te komen met Kamerleden zijn mislukt, schrijft hij. En hij haalde zich de woede van CDA-kamerlid Omtzigt op de hals toen hij hem in een uitzending van Debat op 2 provoceerde om weerwoord te geven op de kwalificatie "ongedierte". Durfde het Kamerlid zich niet te distantiëren van de hetze? Zijn collega's Arib en Van Toorenburg gingen eerder mee in de strijd tegen Martijn door de stem van de indieners van de petitie voor een verbod van de vereniging te vertolken. In een Kamerdebat op 29 november 2011 moest minister Opstelten hen corrigeren. De beschuldiging dat Martijn kindermisbruik uitlokte kon niet hard worden gemaakt. Opvallend is wel weer de expliciet geuite hoop van de minister dat de rechtbank tot een verbod komt. Gelden de principes van de rechtsstaat, zoals de scheiding der machten, niet meer als het om pedofielen gaat?
De ultieme test voor de uitingsvrijheid vormen opvattingen die door 99% van de bevolking worden afgewezen. Het opkomen voor de vrijheid van een vereniging van pedofielen is een aardig voorbeeld. De advocaat van Martijn verkoos de anonimiteit na bedreigingen van zijn gezin. Dautzenberg werd bedreigd door de organisator van de petitie, Henk Bres. Hij werd als journalist ontslagen door de Financial Times. Ook de Universiteit van Tilburg ontsloeg hem en zijn compagnon als medewerkers aan een onderzoeksproject uit vrees voor "imagoschade", wat later werd gecorrigeerd omdat het zou gaan om "onvoldoende fte's".
Dergelijke reacties op uitingen die door een groot deel van de publieke opinie worden afgewezen met steun van de media en de politiek kunnen zoals dat heet een "chilling" effect hebben op de pers, de journalistiek, schrijvers van opiniërende artikelen en columnisten. En daarmee wordt langzaam maar zeker een grens getrokken voor de vrijheid van meningsuiting die nu ook door het OM gehanteerd wordt in de eis om de vereniging Martijn te verbieden. Het onwelgevallige (pedofilie) goedpraten en verheerlijken wordt op zich een reden voor sancties. Tamelijk onzinnige sancties, omdat je pedofilie niet met een rechterlijke uitspraak uit de gedachten van zo'n 150.000 Nederlanders kunt laten verdwijnen. Als Martijn niet meer bestaat komt er wel een andere vereniging, al dan niet ondergronds. Maar dit terzijde. Waar het om gaat is de beloning van een hetze tegen mensen op grond van wie zij zijn en wat zij denken. En de bevestiging van het ongenuanceerde oordeel van mensen die zich terecht zorgen maken over kindermisbruik, maar niet het onderscheid maken tussen denken, praten en doen. Hier zou een echte vrijzinnige politicus het lef moeten hebben om zich met Dautzenberg tegen de massahysterie te keren.
Schrijver en econoom Anton Dautzenberg meldde zich uit protest tegen de hetze van de antipedofielen aan als lid van Martijn en kwam daar openlijk voor uit in de media. In De Groene van deze week beschrijft hij zijn ervaringen als beschermheer van een (volgens het vrijzinnige GroenLinkse kamerlid Dibi) "vereniging van vieze mannetjes met gore standpunten die walging en weerzin opwekken." Onbegrip was zijn deel. En niet alleen bij de pedojagers die vinden dat pedofielen "ongedierte" zijn "dat vernietigd moet worden." Maar ook bij sommige media. En in de politiek. Zijn pogingen om in gesprek te komen met Kamerleden zijn mislukt, schrijft hij. En hij haalde zich de woede van CDA-kamerlid Omtzigt op de hals toen hij hem in een uitzending van Debat op 2 provoceerde om weerwoord te geven op de kwalificatie "ongedierte". Durfde het Kamerlid zich niet te distantiëren van de hetze? Zijn collega's Arib en Van Toorenburg gingen eerder mee in de strijd tegen Martijn door de stem van de indieners van de petitie voor een verbod van de vereniging te vertolken. In een Kamerdebat op 29 november 2011 moest minister Opstelten hen corrigeren. De beschuldiging dat Martijn kindermisbruik uitlokte kon niet hard worden gemaakt. Opvallend is wel weer de expliciet geuite hoop van de minister dat de rechtbank tot een verbod komt. Gelden de principes van de rechtsstaat, zoals de scheiding der machten, niet meer als het om pedofielen gaat?
De ultieme test voor de uitingsvrijheid vormen opvattingen die door 99% van de bevolking worden afgewezen. Het opkomen voor de vrijheid van een vereniging van pedofielen is een aardig voorbeeld. De advocaat van Martijn verkoos de anonimiteit na bedreigingen van zijn gezin. Dautzenberg werd bedreigd door de organisator van de petitie, Henk Bres. Hij werd als journalist ontslagen door de Financial Times. Ook de Universiteit van Tilburg ontsloeg hem en zijn compagnon als medewerkers aan een onderzoeksproject uit vrees voor "imagoschade", wat later werd gecorrigeerd omdat het zou gaan om "onvoldoende fte's".
Dergelijke reacties op uitingen die door een groot deel van de publieke opinie worden afgewezen met steun van de media en de politiek kunnen zoals dat heet een "chilling" effect hebben op de pers, de journalistiek, schrijvers van opiniërende artikelen en columnisten. En daarmee wordt langzaam maar zeker een grens getrokken voor de vrijheid van meningsuiting die nu ook door het OM gehanteerd wordt in de eis om de vereniging Martijn te verbieden. Het onwelgevallige (pedofilie) goedpraten en verheerlijken wordt op zich een reden voor sancties. Tamelijk onzinnige sancties, omdat je pedofilie niet met een rechterlijke uitspraak uit de gedachten van zo'n 150.000 Nederlanders kunt laten verdwijnen. Als Martijn niet meer bestaat komt er wel een andere vereniging, al dan niet ondergronds. Maar dit terzijde. Waar het om gaat is de beloning van een hetze tegen mensen op grond van wie zij zijn en wat zij denken. En de bevestiging van het ongenuanceerde oordeel van mensen die zich terecht zorgen maken over kindermisbruik, maar niet het onderscheid maken tussen denken, praten en doen. Hier zou een echte vrijzinnige politicus het lef moeten hebben om zich met Dautzenberg tegen de massahysterie te keren.
12 juni 2012
Over de privatisering van de openbare ruimte
Het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting geldt bij uitstek voor de openbare ruimte: de straat, openbare gebouwen, de openbare vergadering, maar ook de publieke media, het internet. Er zijn wel grenzen natuurlijk, maar die zijn bij wet bepaald en gelden voor iedereen. Overschrijding daarvan zal altijd door een rechter moeten worden getoetst voordat er sancties kunnen volgen. In niet-openbare omgevingen, zoals bedrijven, scholen, particuliere huizen moet je je houden aan daar geldende regels. En dan kun je bij overtreding te maken krijgen met sancties van de daar bevoegde autoriteiten. Dat is dan een puur private aangelegenheid, willekeur is niet uitgesloten. Je kunt daarvoor naar een (civiele) rechter stappen natuurlijk, maar de meeste conflicten worden in de praktijk binnenshuis opgelost.
Nu is er in Nederland en vele andere westerse landen al jaren sprake van een privatisering van de openbare ruimte. Het overdekte winkelcentrum is het meest bekende voorbeeld. Een straat, plein, passage of traverse met uitsluitend winkels, beheerd door een particuliere onderneming en bewaakt door particuliere beveiligers. Die onderneming heeft namens de winkeliers meestal ook regels vastgesteld die er voor moeten zorgen dat er ongestoord gewinkeld wordt. En alleen gewinkeld wordt. Activiteiten die niet passen binnen dat kader kunnen worden verboden. Zwervers worden geweerd, evenals demonstraties en mensen die folderen in verkiezingstijd. Het is shoppen geblazen en anders ga je maar ergens anders heen.
Er zijn ook andere voorbeelden van privatisering van de openbare ruimte, zoals min of meer besloten woonerven, tuinen aan de binnenkant van een blok huizen, parken en plantsoenen die door de Gemeente in beheer gegeven zijn van omwonenden of speciaal daarvoor opgerichte groepen. Ten dele openbaar, maar met restricties die door particulieren worden opgelegd (sluiting na zonsondergang bv.). Dat gebeurt dan wel in overleg met de gemeente als eindverantwoordelijke voor de openbare ruimte.
Hoe de Gemeente die eindverantwoordelijkheid invult in die min of meer geprivatiseerde openbare ruimtes is voor mij een punt van zorg. Eigenlijk al sinds het bestaan van het Utrechtse winkelgebied Hoog Catharijne. Het hele stationsgebied is in feite een openbaar gebied, maar het is in handen van particuliere bedrijven, naast Corio, de beheerder van het winkelcentrum ook nog de NS. De Gemeente Utrecht heeft met die eigenaren afgesproken dat het gebied doorlopend toegankelijk is. Anders is het Centraal station ook onbereikbaar. Je mag er dus door lopen. Maar verder bepalen de eigenaars wat er daar wel en niet mag gebeuren. Straatmuzikanten kunnen worden weggestuurd. Folders uitdelen is in principe verboden. Demonstreren is daar ondenkbaar. Je zou het winkelend publiek maar hinderen. Ongehinderd zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk laten kopen is het enige uitgangspunt voor wat in deze openbare ruimte wel en niet is toegestaan.
Dat je ook elders kunt demonstreren, folders uitdelen, musiceren etc. is natuurlijk juist. Maar wie de openbaarheid zoekt voor dergelijke doelen kiest bij voorkeur plaatsen waar veel mensen zijn. Demonstreren op zaterdagmiddag op een industrieterrein is zinloos. De vraag is: wat betekent openbaarheid eigenlijk en welke consequenties verbindt de overheid daar aan voor de regelgeving?
Openbaar betekent volgens deze definitie: voor iedereen zonder onderscheid toegankelijk en in principe beheerd door de overheid, die daar ook de regels voor stelt. Die regels staan gewoonlijk in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en bepalen bijvoorbeeld dat demonstreren alleen mag na melding bij de politie, aanplakken alleen op de daarvoor bestemde borden en dat openbare dronkenschap, naakt lopen of vloeken verboden zijn. Dat laatste komt voor in streng christelijke gemeenten, maar is een paar jaar geleden onwettig verklaard en voor zover nog aanwezig dus puur symbolisch. Maar dit terzijde.
De vraag is hoe de gemeente dan nu met de openbaarheid omgaat in de vele inmiddels geprivatiseerde openbare ruimtes. Veel gemeenten hebben van harte meegewerkt aan deze privatisering omdat zij zo kunnen besparen op beheer, onderhoud en toezicht. De kortingen op het gemeentelijke budget maken het maar al te verleidelijk om het beheer van delen van de openbare ruimte in handen te leggen van particulieren. Bij plantsoenen en parken kan dat een positieve uitwerking hebben in de zin dat direct belanghebbenden dan hun verantwoordelijkheid nemen en er, ook voor hun eigen uitzicht of recreatie, iets moois van maken. Maar bij de grote stedelijke publiekstrekkers als winkelcentra rijst de vraag: waarom gelden daar niet dezelfde regels als twee straten verderop, waar geen sprake is van gemeenschappelijk door één bedrijf beheerde winkels. Hoog-Catharijne is qua eigendomsverhoudingen een hybride gebied. Zonder de gemeentelijke voorzieningen zijn de winkels niet te exploiteren. Het openbare karakter van het gebied is ook in het belang van de winkeliers. Regelgeving en handhaving is voor dit geprivatiseerde gebied uiteraard een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Net zo goed als je bewoners rond een half besloten parkje in een woonblok moet betrekken bij de regels die daar gelden hebben de winkeliers het recht hun eisen te stellen voor de straat waar zij gevestigd zijn. Maar de gemeente behoort de eindverantwoordelijkheid te dragen als het om ruimte gaat waar iedereen vrije toegang heeft. En binnen die eindverantwoordelijkheid valt ook de zorg die de overheid grondwettelijk is gegeven voor de vrijheid van meningsuiting. Over de uitvoering daarvan behoort met betrokkenen overlegd te worden, maar de uitingsvrijheid in de openbare ruimte is geen recht dat je kunt privatiseren.
Nu is er in Nederland en vele andere westerse landen al jaren sprake van een privatisering van de openbare ruimte. Het overdekte winkelcentrum is het meest bekende voorbeeld. Een straat, plein, passage of traverse met uitsluitend winkels, beheerd door een particuliere onderneming en bewaakt door particuliere beveiligers. Die onderneming heeft namens de winkeliers meestal ook regels vastgesteld die er voor moeten zorgen dat er ongestoord gewinkeld wordt. En alleen gewinkeld wordt. Activiteiten die niet passen binnen dat kader kunnen worden verboden. Zwervers worden geweerd, evenals demonstraties en mensen die folderen in verkiezingstijd. Het is shoppen geblazen en anders ga je maar ergens anders heen.
Er zijn ook andere voorbeelden van privatisering van de openbare ruimte, zoals min of meer besloten woonerven, tuinen aan de binnenkant van een blok huizen, parken en plantsoenen die door de Gemeente in beheer gegeven zijn van omwonenden of speciaal daarvoor opgerichte groepen. Ten dele openbaar, maar met restricties die door particulieren worden opgelegd (sluiting na zonsondergang bv.). Dat gebeurt dan wel in overleg met de gemeente als eindverantwoordelijke voor de openbare ruimte.
Hoe de Gemeente die eindverantwoordelijkheid invult in die min of meer geprivatiseerde openbare ruimtes is voor mij een punt van zorg. Eigenlijk al sinds het bestaan van het Utrechtse winkelgebied Hoog Catharijne. Het hele stationsgebied is in feite een openbaar gebied, maar het is in handen van particuliere bedrijven, naast Corio, de beheerder van het winkelcentrum ook nog de NS. De Gemeente Utrecht heeft met die eigenaren afgesproken dat het gebied doorlopend toegankelijk is. Anders is het Centraal station ook onbereikbaar. Je mag er dus door lopen. Maar verder bepalen de eigenaars wat er daar wel en niet mag gebeuren. Straatmuzikanten kunnen worden weggestuurd. Folders uitdelen is in principe verboden. Demonstreren is daar ondenkbaar. Je zou het winkelend publiek maar hinderen. Ongehinderd zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk laten kopen is het enige uitgangspunt voor wat in deze openbare ruimte wel en niet is toegestaan.
Dat je ook elders kunt demonstreren, folders uitdelen, musiceren etc. is natuurlijk juist. Maar wie de openbaarheid zoekt voor dergelijke doelen kiest bij voorkeur plaatsen waar veel mensen zijn. Demonstreren op zaterdagmiddag op een industrieterrein is zinloos. De vraag is: wat betekent openbaarheid eigenlijk en welke consequenties verbindt de overheid daar aan voor de regelgeving?
Openbaar betekent volgens deze definitie: voor iedereen zonder onderscheid toegankelijk en in principe beheerd door de overheid, die daar ook de regels voor stelt. Die regels staan gewoonlijk in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en bepalen bijvoorbeeld dat demonstreren alleen mag na melding bij de politie, aanplakken alleen op de daarvoor bestemde borden en dat openbare dronkenschap, naakt lopen of vloeken verboden zijn. Dat laatste komt voor in streng christelijke gemeenten, maar is een paar jaar geleden onwettig verklaard en voor zover nog aanwezig dus puur symbolisch. Maar dit terzijde.
De vraag is hoe de gemeente dan nu met de openbaarheid omgaat in de vele inmiddels geprivatiseerde openbare ruimtes. Veel gemeenten hebben van harte meegewerkt aan deze privatisering omdat zij zo kunnen besparen op beheer, onderhoud en toezicht. De kortingen op het gemeentelijke budget maken het maar al te verleidelijk om het beheer van delen van de openbare ruimte in handen te leggen van particulieren. Bij plantsoenen en parken kan dat een positieve uitwerking hebben in de zin dat direct belanghebbenden dan hun verantwoordelijkheid nemen en er, ook voor hun eigen uitzicht of recreatie, iets moois van maken. Maar bij de grote stedelijke publiekstrekkers als winkelcentra rijst de vraag: waarom gelden daar niet dezelfde regels als twee straten verderop, waar geen sprake is van gemeenschappelijk door één bedrijf beheerde winkels. Hoog-Catharijne is qua eigendomsverhoudingen een hybride gebied. Zonder de gemeentelijke voorzieningen zijn de winkels niet te exploiteren. Het openbare karakter van het gebied is ook in het belang van de winkeliers. Regelgeving en handhaving is voor dit geprivatiseerde gebied uiteraard een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Net zo goed als je bewoners rond een half besloten parkje in een woonblok moet betrekken bij de regels die daar gelden hebben de winkeliers het recht hun eisen te stellen voor de straat waar zij gevestigd zijn. Maar de gemeente behoort de eindverantwoordelijkheid te dragen als het om ruimte gaat waar iedereen vrije toegang heeft. En binnen die eindverantwoordelijkheid valt ook de zorg die de overheid grondwettelijk is gegeven voor de vrijheid van meningsuiting. Over de uitvoering daarvan behoort met betrokkenen overlegd te worden, maar de uitingsvrijheid in de openbare ruimte is geen recht dat je kunt privatiseren.
25 mei 2012
D66 en GroenLinks riskeren een aanslag op de vrijheid van meningsuiting
Een van de onderdelen van het 'wandelgangenakkoord' dat vandaag in detail is gepubliceerd betreft de versoepeling van het ontslagrecht. D66 en Groenlinks pleiten daar al langer voor in de verwachting dat dit leidt tot betere kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt. Als je iemand sneller kunt ontslaan neem je als werkgever ook makkelijker iemand in dienst. Dat is de redenering. Over dat beoogde effect verschillen de meningen. Eén mogelijk effect heeft daarbij tot nu toe weinig aandacht gekregen: de aanslag op de vrijheid van meningsuiting van werknemers. Hoe zwakker je positie tegenover de werkgever, hoe voorzichtiger je zult zijn in het leveren van kritiek. Het is zelfs de vraag of de werkgever daar blij mee moet zijn.
Enige tijd geleden ontsloeg Blokker een werknemer na een scheldpartij op zijn Facebookpagina. Het bedrijf kwalificeerde hij als 'hoerebedrijf', zijn teamleider als 'nepwout', 'kkhomo' en 'hoerestumperd', en dat allemaal omdat Blokker geen voorschot wilde geven op zijn loon. Voor het bedrijf was deze eruptie van de werknemer de bekende druppel die leidde tot een ontslagprocedure. De rechter bevestigde het ontslag, ondanks de inmiddels aangeboden excuses aan de teamleider en de verwijdering van de tekst. "Met vrijheid van meningsuiting heeft dit bericht niets te maken. Die vrijheid wordt overigens begrensd door de beginselen van zorgvuldigheid die [werknemer] jegens Blokker in acht dient te nemen." Aldus de Arnhemse rechtbank.
Je kunt van mening verschillen over de grenzen van de uitingsvrijheid van werknemers. Maar het zal duidelijk zijn dat de werkgever bij een versoepeling van het ontslagrecht, als de juridische procedure wordt ingekort, zijn eigen maatstaven veel makkelijker de doorslag zal kunnen geven bij een ontslag. "Het bevalt me niet wat je zegt, zoek maar een andere baan." De vrijheid van de werknemer zal worden beperkt tot de grenzen die de baas stelt. Dat betekent niet alleen een achteruitgang in de rechtspositie van werknemers, maar ook een aanslag op het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting.
Het gebruik van sociale media als Facebook vormt een hoofdstuk apart. De Arnhemse rechter heeft met zijn vonnis de trend gezet voor het behandelen van Facebook als een openbare bron. "Ook het argument van [werknemer] dat Facebook tot het privédomein van de werknemer behoort, is naar het oordeel van de kantonrechter onjuist, daar [werknemer] aldus miskent dat het privékarakter van Facebook betrekkelijk is, zo ook het begrip 'vrienden'." In dit geval had een 'vriend' geklikt en was de scheldpartij in de openbaarheid gekomen. Een dubieuze redenering, die heel wat lastiger tot een bevestiging van het ontslag had kunnen leiden als de werknemer ouderwets mondeling in het café had gescholden op zijn baas. Of zelfs in de bedrijfskantine. Nu zoveel mensen sociale media gebruiken als vervanging van de informele communicatie tussen vrienden die op straat, op het werk of in school met elkaar verkeren kun je je afvragen of hier geen bescherming nodig is. Natuurlijk zijn mensen daar op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor. Je moet je niet zo laten gaan, zou ik tegen een scheldende werknemer zeggen, ook niet in je informele contacten. Een wijze raad die als de emoties hoog oplopen wel eens vergeten kan worden. Moet je daarvoor op dezelfde manier gestraft worden als wanneer je scheldpartij in een ingezonden brief in de krant wordt gepubliceerd?
De eigen aard van de social media vraagt om een duidelijk onderscheid dat ook in de regelgeving tot uiting zou moeten komen. Arnoud Engelfriet meent dat het vonnis er anders zou hebben uitgezien als de scheldpartij via MSN bij vrienden terecht was gekomen. Dat is goed mogelijk, maar waarom? Wat is openbaar en wat is privé op de range van MSN of Ping tot en met Twitter? Als ik de bedoeling heb met vrienden te communiceren waarom zou ik dan niet, net als de brieven schrijvende generaties, het recht op het briefgeheim hebben? Twitter lijkt me, als je kijkt naar politici tenminste, een openbaar medium. Men roept iets de wereld in en hoopt dat zoveel mogelijk mensen het oppikken. Maar bij Facebook is dat veel minder duidelijk. En als nu blijkt dat werkgevers hun werknemers steeds vaker gaan volgen via dit soort media, dan is er wel degelijk een risico van aantasting van de vrijheid en de privacy van de werknemer. En als vervolgens dan met steun van vrijheidslievende partijen als D66 en GroenLinks het ontslagrecht wordt versoepeld, dan kan ik de kritiek van de vakbonden wel delen. Catalene Passchier, arbeidsvoorwaardencoördinator van de FNV wijst er in Vrij Nederland van deze week op dat het ontslagrecht vooral bedoeld was om willekeur te voorkomen. "We hebben met elkaar een systeem ingericht waardoor werknemers zich vrij kunnen uiten zonder dat ze het risico lopen dat ze meteen te horen krijgen: jij ligt er uit." Uiteindelijk speelt hier ook nog een werkgeversbelang. Het openlijk delen van kritiek op de gang van zaken in een bedrijf of op collega's is alleen maar in het voordeel van een gezonde bedrijfsvoering. Je moet er mee om kunnen gaan, dat wel. Maar de versoepeling van het ontslagrecht is in het voordeel van de werkgever met de lange tenen. Willekeur ligt op de loer.
Enige tijd geleden ontsloeg Blokker een werknemer na een scheldpartij op zijn Facebookpagina. Het bedrijf kwalificeerde hij als 'hoerebedrijf', zijn teamleider als 'nepwout', 'kkhomo' en 'hoerestumperd', en dat allemaal omdat Blokker geen voorschot wilde geven op zijn loon. Voor het bedrijf was deze eruptie van de werknemer de bekende druppel die leidde tot een ontslagprocedure. De rechter bevestigde het ontslag, ondanks de inmiddels aangeboden excuses aan de teamleider en de verwijdering van de tekst. "Met vrijheid van meningsuiting heeft dit bericht niets te maken. Die vrijheid wordt overigens begrensd door de beginselen van zorgvuldigheid die [werknemer] jegens Blokker in acht dient te nemen." Aldus de Arnhemse rechtbank.
Je kunt van mening verschillen over de grenzen van de uitingsvrijheid van werknemers. Maar het zal duidelijk zijn dat de werkgever bij een versoepeling van het ontslagrecht, als de juridische procedure wordt ingekort, zijn eigen maatstaven veel makkelijker de doorslag zal kunnen geven bij een ontslag. "Het bevalt me niet wat je zegt, zoek maar een andere baan." De vrijheid van de werknemer zal worden beperkt tot de grenzen die de baas stelt. Dat betekent niet alleen een achteruitgang in de rechtspositie van werknemers, maar ook een aanslag op het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting.
Het gebruik van sociale media als Facebook vormt een hoofdstuk apart. De Arnhemse rechter heeft met zijn vonnis de trend gezet voor het behandelen van Facebook als een openbare bron. "Ook het argument van [werknemer] dat Facebook tot het privédomein van de werknemer behoort, is naar het oordeel van de kantonrechter onjuist, daar [werknemer] aldus miskent dat het privékarakter van Facebook betrekkelijk is, zo ook het begrip 'vrienden'." In dit geval had een 'vriend' geklikt en was de scheldpartij in de openbaarheid gekomen. Een dubieuze redenering, die heel wat lastiger tot een bevestiging van het ontslag had kunnen leiden als de werknemer ouderwets mondeling in het café had gescholden op zijn baas. Of zelfs in de bedrijfskantine. Nu zoveel mensen sociale media gebruiken als vervanging van de informele communicatie tussen vrienden die op straat, op het werk of in school met elkaar verkeren kun je je afvragen of hier geen bescherming nodig is. Natuurlijk zijn mensen daar op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor. Je moet je niet zo laten gaan, zou ik tegen een scheldende werknemer zeggen, ook niet in je informele contacten. Een wijze raad die als de emoties hoog oplopen wel eens vergeten kan worden. Moet je daarvoor op dezelfde manier gestraft worden als wanneer je scheldpartij in een ingezonden brief in de krant wordt gepubliceerd?
De eigen aard van de social media vraagt om een duidelijk onderscheid dat ook in de regelgeving tot uiting zou moeten komen. Arnoud Engelfriet meent dat het vonnis er anders zou hebben uitgezien als de scheldpartij via MSN bij vrienden terecht was gekomen. Dat is goed mogelijk, maar waarom? Wat is openbaar en wat is privé op de range van MSN of Ping tot en met Twitter? Als ik de bedoeling heb met vrienden te communiceren waarom zou ik dan niet, net als de brieven schrijvende generaties, het recht op het briefgeheim hebben? Twitter lijkt me, als je kijkt naar politici tenminste, een openbaar medium. Men roept iets de wereld in en hoopt dat zoveel mogelijk mensen het oppikken. Maar bij Facebook is dat veel minder duidelijk. En als nu blijkt dat werkgevers hun werknemers steeds vaker gaan volgen via dit soort media, dan is er wel degelijk een risico van aantasting van de vrijheid en de privacy van de werknemer. En als vervolgens dan met steun van vrijheidslievende partijen als D66 en GroenLinks het ontslagrecht wordt versoepeld, dan kan ik de kritiek van de vakbonden wel delen. Catalene Passchier, arbeidsvoorwaardencoördinator van de FNV wijst er in Vrij Nederland van deze week op dat het ontslagrecht vooral bedoeld was om willekeur te voorkomen. "We hebben met elkaar een systeem ingericht waardoor werknemers zich vrij kunnen uiten zonder dat ze het risico lopen dat ze meteen te horen krijgen: jij ligt er uit." Uiteindelijk speelt hier ook nog een werkgeversbelang. Het openlijk delen van kritiek op de gang van zaken in een bedrijf of op collega's is alleen maar in het voordeel van een gezonde bedrijfsvoering. Je moet er mee om kunnen gaan, dat wel. Maar de versoepeling van het ontslagrecht is in het voordeel van de werkgever met de lange tenen. Willekeur ligt op de loer.
18 mei 2012
De arrogantie van de journalistiek
Ondanks dit bescheiden doel is de Raad vanaf de oprichting in 1960 omstreden geweest. Sommige media hebben openlijk verklaard zich niets van de uitspraken van de Raad aan te trekken. De Telegraaf, Elsevier, TROS Radar en Opgelicht en nu ook Het Parool erkennen de RvJ om uiteenlopende redenen niet.
In het tv-programma Waan van de Dag verklaarde Ronald Ockhuizen, adjunct-hoofdredacteur van het Parool waarom deze krant niets meer met de RvJ te maken wil hebben. Concrete aanleiding zijn de klachten die "louche" types bij de Raad indienden tegen de misdaadverslaggeving van Het Parool. Ockhuizen meent dat zij dat doen om in tweede instantie bij de rechter hun gelijk te halen en de krant te laten veroordelen wegens een onrechtmatige daad. De RvJ wordt misbruikt en de krant moet twee keer komen opdraven. Maar hij heeft een veel algemener bezwaar tegen de Raad. Journalistieke ethiek vindt hij veel te vaag. En de RvJ is met zijn lekenrechters niet in staat te oordelen over complexe journalistiek. "Wij hebben de Raad daarvoor helemaal niet nodig. Wij kunnen heel goed naar ons zelf kijken. Ik beantwoord zelf dagelijks klachten van lezers."
Is dat niet een beetje arrogant? vroeg presentatrice Clairy Polak aan collega Ockhuizen. Victor Lebesque, oud-journalist van De Volkskrant en voorzitter van de RvJ gebruikte dat woord niet, maar maakte zich wel boos over zijn opstelling. "De argumenten van Het Parool kloppen gewoon niet." De meerderheid van de Raad is journalist, dan wel professioneel actief op het gebied van de journalistieke ethiek. Een kwart van de leden bestaat uit gewone burgers. De Raad is toegankelijk voor iedereen die klachten heeft. De rechter is veel minder toegankelijk en oordeelt ook anders. Bij de rechter gaat het om onrechtmatigheid, bij de RvJ om onbehoorlijkheid. En dat de media klachten zelf naar tevredenheid kunnen behandelen blijkt niet uit de praktijk. Als er bij de RvJ jaarlijks honderden klachten binnen komen kun je niet zeggen dat het zelfregulerend vermogen van de beroepsgroep goed werkt, zegt hij in een interview in NRC Handelsblad van 12 mei.
Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier, het weekblad dat al veel langer is afgehaakt, maar onlangs nog een veroordeling van de RvJ aan de broek kreeg, ziet nog een ander bezwaar. De Raad is een juridisch orgaan geworden. Het zou beter zijn als alleen journalisten de Raad vormen. "Van het keuren van eigen vlees is geen sprake, want de keuring geschiedt immers door de concurrentie. Daarbij, als het zelfregulering heet, dan moeten we het als journalisten ook zelf doen." Hij stelt ook voor alleen individuele klagers toe te laten en geen belangenorganisaties (die een klacht tegen de media gebruiken om politiek een punt te maken). En hij vindt dat klagers eerst het betreffende medium zelf moeten aanspreken. Zo wordt de Raad ontlast en gezien de aangekondigde bezuinigingen (Lebesque: het wordt vrijwilligerswerk) is dat hard nodig.
De niet aflatende kritiek vanuit de beroepsgroep op de Raad voor de Journalistiek irriteert. De Raad bestaat omdat we in Nederland afzien van perswetten die overal in de wereld de media aan banden leggen. Vele collega-journalisten over de grens zullen jaloers zijn op de persvrijheid in Nederland. Wat is in vredesnaam dan nog het bezwaar tegen de mogelijkheid van lezers of kijkers om een klacht in te dienen bij een onafhankelijk orgaan, dat geen recht spreekt, niet straft, maar uitspraken doet over de grenzen van de persvrijheid ter bevordering van de journalistieke ethiek. Natuurlijk moeten journalisten hun eigen ethische normen bespreken en hoog houden. Maar het idee dat ze daarvoor geen input nodig hebben van een orgaan als de RvJ is stuitend. Geen enkele beroepsethiek kan het zonder externe bijdragen stellen. Het idee dat journalisten onder ons gaan uitmaken wat wel en niet kan is niet alleen strijdig met de beroepsethiek, het is een gevaar voor de persvrijheid zelf.
Update: Villamedia publiceert een aantal commentaren op de uitspraak van de RvJ over de klacht van Brinkman tegen Elsevier. Er is weinig begrip voor het gegrond verklaren van deze klacht. Volgens de commentatoren gaat de Raad er ten onrechte van uit dat ook van columnisten hoor-en-wederhoor verwacht mag worden. Zo te zien heeft de RvJ met deze uitspraak zijn gezag niet versterkt.
28 april 2012
BREIN probeert Piratenpartij onschadelijk te maken
De belangenorganisatie van de Nederlandse Entertainment Industrie BREIN wil de Piratenpartij verbieden om het omzeilen van de Pirate Bay blokkade aan te moedigen. BREIN heeft eerder succes gehad in de strijd tegen The Pirate Bay, een site die auteursrechtelijk beschermd materiaal gratis aanbiedt. De blokkade van zo'n site is echter eenvoudig te omzeilen. BREIN wist eerder al af te dwingen dat de Piratenpartij zelf een omweg aanbood. Maar nu moet de partij ook stoppen met "het aanbieden van informatie met de kennelijke bedoeling om hen die onder
een blokkade vallen aan te zetten tot het omzeilen van zulke blokkades,
met name via het subdomein tpb.piratenpartij.nl." De Piratenpartij spreekt van keiharde censuur, ze voelt zich in haar politieke kern aangevallen. "Dit kan niet anders gezien worden dan als een botte poging om aan de
start van het verkiezingsseizoen een politieke partij te verbieden om
één van haar belangrijkste politieke boodschappen uit de dragen. Melden
dat er in Nederland censuur is en het uitleggen waarom dat niet
effectief, niet gewenst, niet nodig en niet haalbaar is, zal als het aan
Brein ligt zonder meer bestraft worden met 10.000 euro boete," lezen we op het blog van de partij.Wat BREIN van de rechter vraagt treft het hart van de partij. De Piratenpartij is opgericht om verandering te bewerkstelligen van de auteurswet die het vrijelijk delen van informatie op het internet ernstig bemoeilijkt. Alle informatie van een partij met dit doel kan worden gezien als aanmoediging om een verfoeide wet te negeren. Als de Piratenpartij op dit punt door de rechter in haar uitingen wordt beperkt is dat een ernstige aantasting van de vrijheid om politiek te bedrijven. Het verbod op de propaganda van een partij grenst aan een partij-verbod en we mogen hopen dat de rechter hier bij zijn uitspraak op 10 mei rekening mee houdt.
De poging van de entertainment-industrie om de Piratenpartij onschadelijk te maken is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de acties voor een verbod van de pedofielenpartij in 2006. De rechtbank wees toen het verzoek om de partij te verbieden af. "Het is aan de kiezer om een oordeel te geven over de pleidooien van politieke partijen," zei rechter Hofhuis. "De vrijheden komen ook aan de PNVD toe." De partij bepleitte onder meer het verlagen van de leeftijdsgrens voor seksuele contacten tot 12 jaar. De PNVD heeft het nooit ver geschopt want ze slaagde er niet in voldoende handtekeningen te krijgen om zich te kunnen registreren en heeft dan ook niet aan de verkiezingen meegedaan.
In 1997 werd de extreem-rechtse partij CP '86 verboden omdat de partij opriep tot haat en discriminatie, strafbare feiten. Daarmee toonde de partij zich een 'criminele organisatie'. In de aanklacht stonden naast bedreigingen aan het adres van politici ook leuzen als 'Eigen volk eerst' en 'Vol is vol'. Ik vraag me af of zo'n partij vandaag nog verboden zou worden. In de jaren vijftig is er ook nog eens een poging tot reïncarnatie van de NSB verboden. Maar over het algemeen is men in Nederland zeer terughoudend met het verbieden van politieke partijen of vergelijkbare verenigingen en organisaties. Het is strijdig met het idee dat in een democratie alle burgers in vrijheid moeten kunnen deelnemen aan de politiek, de verkiezingen, de debatten en de meningsvorming.
De Piratenpartij wordt niet bedreigd met een verbod. Maar getuigt het hinderen van een politieke partij ook niet van een ondemocratische instelling?
14 april 2012
De Kamer buitenspel
De Tweede Kamer stond buitenspel, oordeelde de Commissie de Wit in haar rapport over de aanpak van de kredietcrisis in 2008. Het gebrek aan informatie heeft de Kamer belemmerd in het uitvoeren van zijn controlerende taak. Dat zijn harde conclusies, sommigen zeggen té hard. Oud-minister Bos verdedigt zich door te zeggen dat er 'weinig tijd was, te weinig informatie, weinig voorbeelden en weinig alternatieven'. Is dat een situatie die het buitenspel zetten van de volksvertegenwoordiging kan rechtvaardigen? Je zou ook kunnen zeggen dat juist in zo'n situatie, als er grote belangen op het spel staan, de regering er voor moet zorgen dat de Kamer geen enkele informatie wordt onthouden. Daar is die volksvertegenwoordiging voor: de regering controleren. Openheid, op z'n minst naar de Kamer, is een eerste vereiste om die taak te kunnen uitoefenen.
Het optreden van Bos en zijn ambtenaren is door de kamerbrede Commissie de Wit achteraf ter discussie gesteld. Het laatste woord is er nog niet over gezegd. Ondertussen staan diezelfde Kamerleden al meer dan een maand buitenspel in het theaterstuk "Radiostilte" dat vier heren achter gesloten deuren opvoeren in het Catshuis. Af en toe doet de oppositie zonder succes een poging om wat meer te weten te komen over wat er gaande is bij de onderhandelingen over de miljardenbezuinigingen die VVD en CDA met steun van PVV willen doorvoeren. De parlementaire pers fotografeert en filmt een fietsende premier die vriendelijk gedag zegt. En daar blijft het bij. Is dit in een open democratie te rechtvaardigen? Deze geslotenheid, het totale zwijgen is toch niet normaal? Er wordt zelfs minder informatie gegeven dan tijdens een kabinetsformatie. Hoe komt het dat de Kamer en de pers hierin berusten?
Bos kan nog zeggen dat hij in zeer korte tijd moest beslissen. In het Catshuis neemt men alsmaar meer tijd. Geen haast, maar ook geen informatie. Straks komt er een dichtgetimmerd besluit dat de drie partijen en de SGP moeten slikken en dan is de toekomst van Nederland voor een belangrijk deel vastgelegd (pensioenen, verzekeringen, hypotheken, banen). Kan niet meer over gepraat worden. Is nu eenmaal besloten. Jammer dan. Wat is het verschil met het politbureau van de Chinese Communistische Partij, vraag ik me dan af.
Waarom kan er als de heren onderhandelen niet ook gedebatteerd worden in de Kamer, in de pers? Willen de heren geen anderen horen dan zichzelf?
In de afgelopen tien jaar, sinds Fortuyn, is er nogal wat gesproken over verbetering van de verhouding tussen burger en bestuur. Er moest een andere overheid komen, het internet moet gebruikt worden voor meer openheid en interactief bestuur, er kwam zelfs een kabinet dat de eerste honderd dagen het land in trok om naar de burgers te luisteren. Heeft men veel geleerd? Ik denk dat Pim zich omkeert in zijn Italiaanse graf. De regenten zijn helemaal terug. En erger: ze worden getolereerd, ze krijgen vrij spel. Er komt geen opstand tegen al dat geheimzinnige gedoe. Integendeel. Het speculatiespel wordt met veel plezier gespeeld en iedereen vindt het spannend.
Komt er over een jaar of vier een nieuwe Enquetecommissie die de besluitvorming in het Catshuis over de grootste bezuinigingsoperatie ooit gaat onderzoeken? En die dan tot de conclusie komt dat de Kamer over zich heeft laten lopen? In 2003 deed de NRC tevergeefs een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur om stukken ter inzage te krijgen uit de kabinetsformatie. Wat nu in het Catshuis besproken wordt is geen kabinetsformatie. De gevolgen voor het land gaan misschien wel veel verder dan dat. Ik ben benieuwd of we ooit te weten zullen komen wat daar besproken is. Maar ik ben nog meer benieuwd of die openbaarheid in de Kamer straks ook bepleit zal worden en of de pers er nog een punt van gaat maken.
Het optreden van Bos en zijn ambtenaren is door de kamerbrede Commissie de Wit achteraf ter discussie gesteld. Het laatste woord is er nog niet over gezegd. Ondertussen staan diezelfde Kamerleden al meer dan een maand buitenspel in het theaterstuk "Radiostilte" dat vier heren achter gesloten deuren opvoeren in het Catshuis. Af en toe doet de oppositie zonder succes een poging om wat meer te weten te komen over wat er gaande is bij de onderhandelingen over de miljardenbezuinigingen die VVD en CDA met steun van PVV willen doorvoeren. De parlementaire pers fotografeert en filmt een fietsende premier die vriendelijk gedag zegt. En daar blijft het bij. Is dit in een open democratie te rechtvaardigen? Deze geslotenheid, het totale zwijgen is toch niet normaal? Er wordt zelfs minder informatie gegeven dan tijdens een kabinetsformatie. Hoe komt het dat de Kamer en de pers hierin berusten?
Bos kan nog zeggen dat hij in zeer korte tijd moest beslissen. In het Catshuis neemt men alsmaar meer tijd. Geen haast, maar ook geen informatie. Straks komt er een dichtgetimmerd besluit dat de drie partijen en de SGP moeten slikken en dan is de toekomst van Nederland voor een belangrijk deel vastgelegd (pensioenen, verzekeringen, hypotheken, banen). Kan niet meer over gepraat worden. Is nu eenmaal besloten. Jammer dan. Wat is het verschil met het politbureau van de Chinese Communistische Partij, vraag ik me dan af.
Waarom kan er als de heren onderhandelen niet ook gedebatteerd worden in de Kamer, in de pers? Willen de heren geen anderen horen dan zichzelf?
In de afgelopen tien jaar, sinds Fortuyn, is er nogal wat gesproken over verbetering van de verhouding tussen burger en bestuur. Er moest een andere overheid komen, het internet moet gebruikt worden voor meer openheid en interactief bestuur, er kwam zelfs een kabinet dat de eerste honderd dagen het land in trok om naar de burgers te luisteren. Heeft men veel geleerd? Ik denk dat Pim zich omkeert in zijn Italiaanse graf. De regenten zijn helemaal terug. En erger: ze worden getolereerd, ze krijgen vrij spel. Er komt geen opstand tegen al dat geheimzinnige gedoe. Integendeel. Het speculatiespel wordt met veel plezier gespeeld en iedereen vindt het spannend.
Komt er over een jaar of vier een nieuwe Enquetecommissie die de besluitvorming in het Catshuis over de grootste bezuinigingsoperatie ooit gaat onderzoeken? En die dan tot de conclusie komt dat de Kamer over zich heeft laten lopen? In 2003 deed de NRC tevergeefs een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur om stukken ter inzage te krijgen uit de kabinetsformatie. Wat nu in het Catshuis besproken wordt is geen kabinetsformatie. De gevolgen voor het land gaan misschien wel veel verder dan dat. Ik ben benieuwd of we ooit te weten zullen komen wat daar besproken is. Maar ik ben nog meer benieuwd of die openbaarheid in de Kamer straks ook bepleit zal worden en of de pers er nog een punt van gaat maken.
30 maart 2012
Godsdienstvrijheid een exclusief recht?
Trouw ontdekte deze week een bijzondere samenwerking tussen de ChristenUnie en de SP. Europarlementariërs Van Dalen (CU) en De Jong (SP) bepleiten gezamenlijk meer aandacht voor godsdienstvrijheid in het buitenlands beleid van de EU. In het geval van de SP is dat misschien wat minder vanzelfsprekend dan bij de ChristenUnie. Bij De Jong heeft deze ambitie een persoonlijke achtergrond: hij is op het onderwerp godsdienstvrijheid gepromoveerd en had er ook mee te maken toen hij nog werkte voor het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Het onderwerp godsdienstvrijheid komt bijvoorbeeld aan de orde bij het afsluiten van handelsverdragen. De Jong hoopt ook dat EU buitenland-vertegenwoordiger Ashton de godsdienstvrijheid niet zal vergeten als ze deelneemt aan de vredesbesprekingen in het Midden-Oosten. Van Dalen zou graag Europese instrumenten als handelsverdragen of hulpgelden inzetten om de toegenomen druk op christenen in landen als Nigeria, Pakistan, Noord-Korea en Egypte te verlichten. Maar het gaat niet alleen om christenen, benadrukt De Jong. Het gaat om alle gevallen van geweld tegen religieuze gemeenschappen.
En op dit punt komen dan de vragen, zo blijkt ook uit de reacties op het Trouw-artikel. Als godsdienstvrijheid de denkbeelden moet beschermen waarom dan alleen religieuze denkbeelden? Zijn Van Dalen en De Jong ook bereid op te komen voor atheïsten? Of als het om de minderheden gaat, waarom dan niet ook de homoseksuele minderheid? Godsdienst is een lastige, zo niet onmogelijke, invalshoek voor het bevorderen van mensenrechten. Godsdiensten tonen zich door de eeuwen heen intolerant ten opzichte van elkaar. Met de bescherming van de een raak je in een conflict met de ander. Ronald Plasterk schreef eens, toen hij nog columnist van De Volkskrant was: "De een zijn geloof is de andere zijn blasfemie."
De bescherming van christelijke of andere religieuze minderheden in Afrika en het Midden-Oosten verdient naar mijn mening evenveel inspanning als de bescherming van welke minderheden dan ook tegen de discriminatie door christelijke of andere religieuze meerderheden. Het gaat niet om godsdienst maar om tolerantie.
In de Verenigde Naties worden elk jaar resoluties op initiatief van islamitische landen aangenomen die bol staan van verdraagzaamheid jegens alle levensbeschouwingen maar toch duidelijk stellen dat het beledigen van een godsdienst strafbaar moet zijn. Christelijke organisaties zien hier terecht het gevaar dat dit als handvat kan worden gebruikt om religieuze minderheden te vervolgen. Maar het is moeilijk te ontkomen aan de indruk dat hier vooral gaat om een strijd tussen twee godsdiensten, islam en christendom. Tot nu toe hebben deze resoluties nog niet geresulteerd in internationale verdragen. Maar ik zie de organisaties die dit willen voorkomen, of de partij van Van Dalen, ook nog niet het initiatief nemen om in Nederland het obsolete verbod op godslastering af te schaffen.
De vrijheid van denken, inclusief geloven, en de vrijheid om denkbeelden, inclusief geloof of kritiek daarop, te uiten zijn universeel en dus seculier. Godsdienstvrijheid is hieraan ondergeschikt en dient dus ook niet als exclusief recht behandeld te worden. Het is de vraag of godsdienstvrijheid niet overbodig is als de vrijheid van denken, van meningsuiting en van vereniging gegarandeerd zijn. Godsdienstvrijheid als afzonderlijk recht suggereert dat andere denkbeelden en uitingen anders behandeld zouden moeten worden. Godsdienst versus andersdenkenden: dat was vaak de kiem voor bloedige conflicten. En als het geen afzonderlijk recht is, waarom zou je het dan als zodanig opvoeren op de agenda van het buitenlands beleid van de EU?
14 maart 2012
PayPal en de nieuwe censuur
Paypal, de internetbankier, heeft enkele uitgevers gedreigd met afsluiting van hun account als ze erotica blijven aanbieden waarin incest, verkrachting of bestialiteiten voorkomen. Een van deze bedrijven, Smashwords heeft inmiddels laten weten dat het aan de wensen van de bankier wil voldoen. Zaken zijn zaken. Een brede coalitie van burgerrechtbewegingen in de Verenigde Staten heeft tegen deze maatregel een krachtig protest laten horen. Het gaat natuurlijk om het principe. Banken behoren neutraal te zijn en hebben geen taak in het bewaren van de publieke moraal. Nog los van het grondrecht op vrijheid van meningsuiting is het niet aan particuliere instanties om grenzen te trekken en het vrije verkeer van informatie te frustreren. Dat lijkt echter allemaal vanzelfsprekender dan het tegenwoordig is.
Het particuliere bedrijfsleven bemoeit zich steeds actiever met de grenzen van het vrije verkeer van informatie. Eerder dit jaar lieten Twitter en Google weten dat ze niet alles toelaten in hun dienstverlening. Wat mag en wat niet mag wordt ook in deze gevallen niet bepaald door de wet en het oordeel van de rechter, maar door de particuliere censors, die zich niet publiek hoeven te verantwoorden. In een protestbrief van de Amerikaanse National Coalition Against Censorship wordt de vergelijking gemaakt met de Index Librorum Prohibitorum de lijst van verboden boeken die de Katholieke Kerk tot halverwege de vorige eeuw hanteerde om de gelovigen tegen de slechte invloeden van het geschreven woord te wapenen.
Het protest van de Amerikaanse hoeders van het vrije woord is gericht tegen PayPal. Het is altijd goed om een bedrijf te laten weten dat je zijn gedrag niet in de haak vindt. Of PayPal zich er iets van aan zal trekken is de vraag. Aandeelhouders hebben er vermoed ik meer te vertellen dan activisten. En de vrije markt gaat boven alles. Zoek maar een andere bankier als je met deze niet tevreden bent.
Wat ik mis in dit verhaal is de rol van de overheid. Er zijn grondrechten en daarvan afgeleide wetten. We hebben een overheid om namens ons hiernaar te handelen. De overheid zou ons in dit geval moeten beschermen tegen onterecht ingrijpen in het vrije verkeer van informatie door particulieren die hier niets over te zeggen hebben. Waarom richt uitgever Smashwords zich niet samen met de burgerrechtbeweging tot de overheid en gaat men onmiddellijk overstag voor de moralisten van PayPal?
Ook voor de uitgever zal de vrije markt wel van groter gewicht zijn dan het vrije verkeer van informatie.Waarom je financiële resultaten op het spel zetten voor een principe? En een overheid die heilig gelooft in de zegeningen van de vrije markt zal hier ook niet zo snel ingrijpen. Maar voor liberalen ligt hier wel een punt om te overdenken. Voor je het weet zijn we weer terug in de Middeleeuwse wetten van de oude Katholieke Kerk.
Voor de vrijheid van het internet zijn deze nieuwe particuliere censors een grote bedreiging. Beter dan de burgerrechtbewegingen het verwoorden aan het eind van hun statement kan ik het niet zeggen:
The Internet has become an international public commons, like an enormous town square, where ideas can be freely aired, exchanged, and criticized. That will change if private companies, which are under no legal obligation to respect free speech rights, are able to use their economic clout to dictate what people should read, write, and think.
[beeld: http://www.citylit.org/BannedBooks.htm]
Het particuliere bedrijfsleven bemoeit zich steeds actiever met de grenzen van het vrije verkeer van informatie. Eerder dit jaar lieten Twitter en Google weten dat ze niet alles toelaten in hun dienstverlening. Wat mag en wat niet mag wordt ook in deze gevallen niet bepaald door de wet en het oordeel van de rechter, maar door de particuliere censors, die zich niet publiek hoeven te verantwoorden. In een protestbrief van de Amerikaanse National Coalition Against Censorship wordt de vergelijking gemaakt met de Index Librorum Prohibitorum de lijst van verboden boeken die de Katholieke Kerk tot halverwege de vorige eeuw hanteerde om de gelovigen tegen de slechte invloeden van het geschreven woord te wapenen.
Het protest van de Amerikaanse hoeders van het vrije woord is gericht tegen PayPal. Het is altijd goed om een bedrijf te laten weten dat je zijn gedrag niet in de haak vindt. Of PayPal zich er iets van aan zal trekken is de vraag. Aandeelhouders hebben er vermoed ik meer te vertellen dan activisten. En de vrije markt gaat boven alles. Zoek maar een andere bankier als je met deze niet tevreden bent.
Wat ik mis in dit verhaal is de rol van de overheid. Er zijn grondrechten en daarvan afgeleide wetten. We hebben een overheid om namens ons hiernaar te handelen. De overheid zou ons in dit geval moeten beschermen tegen onterecht ingrijpen in het vrije verkeer van informatie door particulieren die hier niets over te zeggen hebben. Waarom richt uitgever Smashwords zich niet samen met de burgerrechtbeweging tot de overheid en gaat men onmiddellijk overstag voor de moralisten van PayPal?
Ook voor de uitgever zal de vrije markt wel van groter gewicht zijn dan het vrije verkeer van informatie.Waarom je financiële resultaten op het spel zetten voor een principe? En een overheid die heilig gelooft in de zegeningen van de vrije markt zal hier ook niet zo snel ingrijpen. Maar voor liberalen ligt hier wel een punt om te overdenken. Voor je het weet zijn we weer terug in de Middeleeuwse wetten van de oude Katholieke Kerk.
Voor de vrijheid van het internet zijn deze nieuwe particuliere censors een grote bedreiging. Beter dan de burgerrechtbewegingen het verwoorden aan het eind van hun statement kan ik het niet zeggen:
The Internet has become an international public commons, like an enormous town square, where ideas can be freely aired, exchanged, and criticized. That will change if private companies, which are under no legal obligation to respect free speech rights, are able to use their economic clout to dictate what people should read, write, and think.
[beeld: http://www.citylit.org/BannedBooks.htm]
08 maart 2012
Waarschuwing tegen fascisme
Vandaag kreeg ik een verzoek om mee te doen aan een actie om fascistische Facebooksites te weren. De actie loopt al sinds 2009 en heeft meer dan 11.000 supporters. Die hebben Facebook kennelijk nog niet weten te overtuigen. Mij ook niet trouwens. Het verzoek is geformuleerd in zeer algemeen gestelde bewoordingen:
We demand that the facebook administrators suspend fascist
facebook groups and sites which glorify racism and other crimes.
1. Suspend the "Benito Mussolini" Fansites
2. Suspend groups with racist body of thought
3. No support for totalitarian and inhuman facebook sites and groups! Zo maak je het wel erg makkelijk voor de censor. Wat zijn fascistische sites? Welke andere misdaden vallen nog meer onder dit verzoek? Moet alles wat de fans van Mussolini op het internet zetten verboden worden? Is een ban van groepen met verkeerde gedachten niet in strijd met de vrijheid van denken? Wat moet ik verstaan onder totalitaire en inhumane sites?
Het spijt me, maar dit is mij veel te grof. U deugt niet, dus u moet geband worden. Dat is de boodschap van deze actie. Waarschuwen tegen fascisme, dat lijkt mij geheel terecht. Maar zoals het plaatje uitdrukt zit het gevaar van het fascisme in het geweld, de daadwerkelijke onderdrukking en achterstelling van minderheden. We moeten het verschil wel blijven maken tussen de daden van de fascisten enerzijds en de uitingen anderzijds. Een oproep tot geweld tegen minderheden is, althans in Nederland, strafbaar. Anti-racisme organisaties zoals de Anne Frank Stichting houden het jaarlijks onderzoek de vinger aan de pols. Er is een Meldpunt Discriminatie Internet dat in voorkomende gevallen actie onderneemt tegen concrete uitingen die in strijd zijn met de wet. Het compleet bannen, filteren of verwijderen van sites op vage gronden zoals de Facebook actie dat vraagt is een bedenkelijke aanslag op het vrije verkeer van informatie. Zelfs ACTA en nationale wetten tegen piraterij gaan niet zover als deze ongetwijfeld goedwillende anti-fascisten.
Abonneren op:
Posts (Atom)






