25 augustus 2011

Lokaal reputatiemanagement


Burgemeester Wolfsen van Utrecht is weer in het nieuws vanwege een conflict met de media. RTV-Utrecht ondervond hinder bij het maken van een uitzending over de populariteit van de burgemeester. Gesprekspartners voor de maker van het programma haakten af na een mailtje uit het stadhuis. Wolfsen zegt van niets te weten. Hij had natuurlijk moeten zeggen dat een dergelijke inmenging absoluut niet door de beugel kon en dat hij de zaak tot op de bodem zou laten uitzoeken door een onafhankelijke partij. Nu gaat wethouder Kreykamp die verantwoordelijk is voor de afdeling Voorlichting de zaak onderzoeken. Ook niet handig. De uitzending van RTV-Utrecht kwam uiteindelijk tot de conclusie dat Wolfsen best een aardige burgemeester is maar dat zijn communicatiebeleid niet deugde. Een beter bewijs had hij niet kunnen leveren.

Wolfsen is een recidivist. Twee jaar geleden moest hij diep door het stof omdat hij had geprobeerd een hem onwelgevallig artikel uit een huis-aan-huis-blad te halen. Ook toen ging het om zijn reputatie. Maar Wolfsen is beslist niet de enige in de lokale politiek met lange tenen en een onhandige omgang met de pers. Deze week was ook het Limburgse Gennep in het nieuws omdat een column van een raadslid geweigerd werd door de gemeente-bijlage van een lokale krant. Er mocht geen politiek in, zei B&W. Dan moet je dus geen raadslid vragen iets te schrijven, zou je zeggen. Maar de pijn zat ook in dit geval in de vermeende aantasting van de reputatie van een van de vorige wethouders.

Wat hier speelt is dat bestuurders zich veel te veel zorgen maken om hun reputatie, wat er ook gebeurt op voorhand al een verdedigende houding aannemen en met een heel leger communicatiemedewerkers koste wat kost proberen te voorkomen dat er ook maar iets vervelends naar buiten komt. In het geval van politieke bestuurders is dat toch echt ongewenst. Van het politiek bestuur verwacht de burger verantwoording. Die moet eerlijk en volledig zijn. Fouten moet je durven erkennen. Feedback op je handelen moet je kunnen nemen. It's all in the game. Mooipraterij, er omheen draaien, zaken in de doofpot stoppen: het is allemaal verloedering van het politieke bedrijf. En het gaat ten koste van de goede verhoudingen en het vertrouwen tussen burger en politiek.

,

18 augustus 2011

Eerste wapenfeit in Kunduz: censuur


De missie in Kunduz is nog maar nauwelijks begonnen of er is al weer een spreekverbod. Militairen moeten "altijd hun kaarten gedekt" houden, aldus minister van Defensie Hillen. Door te praten met journalisten zou informatie naar buiten kunnen komen waarvan de vijand zou kunnen profiteren. Die vijand zou in dit geval wel eens binnenslands kunnen zitten. Het is opvallend dat de minister contacten met de media verbood nadat de NOS het woord had gegeven aan militairen in Kunduz die steen en been klaagden over alles wat ze nog steeds missen om hun taak goed uit te voeren. Wat Hillen hen verbiedt te zeggen slaat dus op zijn eigen tekortkomingen.
Het ministerie van Defensie is vanouds het minst transparante deel van de overheid. Dat lijkt volkomen normaal en acceptabel gezien de bijzondere taak van Defensie en de risico's die daarbij in het geding zijn. Maar de geslotenheid heeft ook vaak betrekking op zaken die te maken hebben met verantwoording naar de politiek en de samenleving en waarbij de waarschuwing "Der Feind hört mit" nergens op slaat. Zoals de fraudekwestie dit voorjaar. En de lang slepende affaire Spijkers.
In het geval van de missie in Kunduz is de censuur van Hillen extra pikant. Het heet een politiemissie te zijn. En volgens GroenLinks is het zelfs nadrukkelijk géén militaire missie. Het zou gaan om het opleiden van politie-agenten. Waarom zouden dan hier dezelfde restricties gelden als bij een gevechtsmissie? Het lijkt me de hoogste tijd voor kamervragen van GroenLinks. Als Hillen zijn zin krijgt zal GroenLinks namelijk helemaal nooit te weten komen wat er daar in Afghanistan allemaal gebeurt en of het wel allemaal in overeenstemming is met de afspraken die begin dit jaar gemaakt zijn tussen premier Rutte en de aarzelende GroenLinks fractie. Als we de afspraken niet kunnen nakomen gaat de stekker er uit, zei de premier toen om de benodigde steun van de Kamer te krijgen. Als nu blijkt dat dit feitelijk niet goed is te controleren, welke conclusie trekken de fracties dan die zich zo moeizaam over de streep hebben laten halen? Nemen zij genoegen met door Defensie geclassificeerde, niet-openbare informatie over de missie? Of zoeken ze ook hun eigen bronnen op om Hillen's verhaal te verifiëren?
Bronnen genoeg tegenwoordig met alle sociale media. Defensie probeert de stroom nog wel in te dammen door gedragscodes voor bloggende militairen. Maar de vraag is of de trend te keren is. Vandaag citeert de NRC een oud-woordvoerder van Defensie: "Je ziet dat Hillen wat ouder is en moeite heeft zich in de jonge militairen te verplaatsen. Hij wordt aan alle kanten gepasseerd door zijn personeel dat sociale media gebruikt om te vertellen hoe het er daar aan toe gaat." En nu maar hopen dat onze vertegenwoordigers in de Tweede Kamer daar gebruik van weten te maken.
,

09 augustus 2011

Pas op je woorden!


De gruwelijke slachting die Anders Breivik op 22 juli heeft aangericht in Noorwegen heeft een reeks reacties (zoals deze en deze en deze) op gang gebracht waarin ook de toon van het politieke debat over immigratie, de multiculturele samenleving en de islam –wederom- in het geding wordt gebracht. Rechtse populisten zoals Wilders kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor de misdaden van een doorgedraaide terrorist. Maar hun ophitsende woorden, hun oproep tot strijd, hun doemscenario’s over het einde van de Europese cultuur zijn wel te karakteriseren als de smeerolie voor het doordraaien van vereenzaamde, in een extremistische ideologie gelovende gekken. Dus: pas op uw woorden, mijnheer Wilders en verwanten! De rechtbank heeft u weliswaar toegestaan vrijuit te spreken, maar zie eens wat er van komt….Zo kunnen Wilders’ critici die teleurgesteld zijn in de afloop van de rechtszaak de politicus alsnog op z’n plaats zetten.

Het is een begrijpelijke redenering. Maar het matigen van de toon is hooguit een oplossing voor degenen die zich ergeren aan bepaalde woorden, uitdrukkingen, aan niet politiek-correct taalgebruik. Het onderliggende politieke probleem, het rechtsextremisme, de xenofobie, het verzet tegen de bestaande en niet zo maar “af te schaffen” multiculturele samenleving zal er niet door verdwijnen. Integendeel. Onderdrukking van de uitingsvrijheid is de beste garantie voor het voortbestaan van ideeën en gevoelens. Een moreel appèl is onvoldoende in het geval van hardnekkige overtuigingen. De voedingsbodem voor geweld zit niet in woorden en uitdrukkingen van politici of ideologen. De voedingsbodem zit in angstgevoelens, tekort aan begrip van en grip op een veranderende, globaliserende omgeving en de frustratie over het niet gehoord worden. Daar komt dan nog als versterkende factor bij de eindeloze herhaling van xenofobe probleemdefinities in de media die als bevestiging van die gevoelens gaan werken, “frames” waar ook de tegenstanders van de PVV en aanverwanten zich vaak niet aan weten te onttrekken.

Een tegengeluid in het debat over de toon en het taalgebruik van tegenstanders van de islam en de multiculturele samenleving kwam van neerlandicus en journalist Jan Kuitenbrouwer. “Mag het misschien een toontje harder?” vroeg hij provocerend in NRC Handelsblad van 3 augustus. Hij ziet juist problemen bij de vage taal die linkse politici gebruiken en die hen hebben vervreemd van het electoraat. Dat komt omdat de gevestigde politici zich in feite steeds minder als politici gedragen en steeds meer als regelaars, beleidmakers. En “beleid verhoudt zich tot politiek als de machinekamer van een schip tot de brug. Op de brug van de Nederlandse politiek is het stil, vrijwel alle politici zitten in de machinekamer.” Links mist volgens Kuitenbrouwer de visionaire politicus die in ferme, heldere, voor iedereen begrijpelijke taal de weg wijst. Niet vaag praten, geen omfloerste termen gebruiken maar meer recht voor zijn raap. Wilders, maar dan met een andere boodschap.

Kuitenbrouwer heeft zeker een punt. De toon van het debat moet in elk geval niet het onderwerp van het debat worden. Als Wilders het over ‘kopvoddentax’ heeft moet het niet op de eerste plaats gaan over de beledigende aard van de termen die hij gebruikt, dan ben je meteen al gegijzeld binnen zijn “frame”. Zijn voorstel is idioot en bovendien volstrekt onhaalbaar. Dat lijkt mij de enig juiste reactie. Te vaak zien we echter in plaats van afwijzing op inhoudelijke gronden het terechtwijzende vingertje: dat mag je zó niet zeggen. Een deel van het linkse electoraat wil dat vingertje ook maar al graag zien. Om gerustgesteld te worden, bevredigd te worden in gevoelens van fatsoen en omgangsvormen? Maar wat lost het op? Een morele veroordeling van Wilders op grond van de toon van zijn uitspraken heeft even weinig effect als zijn eigen idiote plannen. Aan de onderliggende problemen, dus ook aan de voedingsbodem voor geweld verandert dat niets. De enige kans om daar iets aan te veranderen is gelegen in het op inhoudelijke gronden terugwinnen van stemmen van de populistische partijen zodat gevaarlijke gekken niet langer de steun voelen van massa's mensen namens wie ze hun misdaden denken te kunnen plegen. We hebben geen andere toon nodig maar een andere politiek.





,

03 juli 2011

Een overwinning voor de vrijheid van meningsuiting?


De voorspelbare triomf van Wilders op zijn vrijspraak miskent de betekenis van de vrijheid van meningsuiting. Dat Wilders mag zeggen wat hij gezegd heeft is de helft van het verhaal. De andere helft is dat hij moet tolereren dat anderen ook gebruik maken van hun recht. En daar heeft de PVV beslist een probleem zoals blijkt uit zaken als deze, deze en deze, om een paar voorbeelden te noemen. Het oordeel van de Amsterdamse rechtbank kan beslist niet als overwinning voor de vrijheid van meningsuiting worden gezien als dit wordt beschouwd als een bevestiging van de halve waarheid: ik mag zeggen wat ik wil, maar ik hoef jouw uitspraken niet te tolereren.

In de commentaren van de afgelopen week overheersen daarom terecht nogal wat gemengde gevoelens, treffend geformuleerd in De Groene Amsterdammer:
Zo bezien is iedereen opgelucht maar niemand veel wijzer. De grenzen voor de vrijheid van meningsuiting zijn ruim, dat weten we nu en dat is goed. Maar waar ze liggen, en vooral waarom ze daar getrokken worden, is door het vonnis en de motivatie daarbij niet duidelijker geworden.
En was het er niet juist om begonnen om een grens te stellen en duidelijk te maken wat in Nederland vandaag nog wel kan en wat niet meer?

Op minstens twee punten geeft de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank aanleiding tot voortzetting van de discussie. Dat is op de eerste plaats de betekenis van het feit dat Wilders een politicus is. Dat de rechter een ruime invulling geeft van de vrijheid van het maatschappelijk debat is winst. De conclusie dat politici ook buiten de Tweede Kamer meer vrijheid zouden moeten krijgen dan ze nu hebben, bepleit VVD en PVV en ook door Femke Halsema, deel ik niet. Er is geen enkele reden om hier een verschil te maken tussen politici en andere burgers in het maatschappelijk debat. Het zou tot een ongewenste ongelijkheid leiden als politici in het maatschappelijk debat meer mogen zeggen dan hun kiezers. Wat de rechters in Amsterdam hebben gezegd moet naar mijn mening worden uitgelegd als een grote vrijheid voor deelnemers aan het maatschappelijk debat om hun mening te uiten. Het is de context die hen vrijwaart van vervolging, niet wie zij zijn of in welke rol zij aan dat debat deelnemen.

Een tweede punt betreft de gevolgen van deze uitspraak voor de artikelen in de strafwet die gaan over het beledigen van of haat zaaien tegen een bevolkingsgroep op grond van hun godsdienst. Allereerst is daar het veel bekritiseerde onderscheid tussen belediging van een godsdienst versus belediging van een bevolkingsgroep, de mensen die die godsdienst aanhangen. De rechtbank bouwt in de vrijspraak voort op de uitspraak van de Hoge Raad inzake het spandoek waarop de islam als een 'gezwel' wordt betiteld. De Hoge Raad bevestigde het vonnis dat een dergelijke kwalificatie van een godsdienst niet in strijd is met de wet omdat het niet over mensen gaat, maar over hun ideeën. Hiermee schept de rechter naar mijn mening eens te meer duidelijkheid. Het staat iedereen vrij ideeën van anderen, ook op voor die ander schokkende wijze, te bekritiseren.
Maar daar waar Wilders het wel over een bevolkingsgroep heeft, zijn hartgrondige afkeer van de moslims toont, zegt dat hij hen de toegang tot het land gaat ontzeggen en ook termen gebruikt als "we moeten ons verdedigen" is de rechtbank volgens mij niet duidelijk genoeg. Als je zegt dat iets 'op de grens van het toelaatbare' is, gezien de artikelen 137 c en d, maar je vult die grens verder niet in dan laat je een gat vallen. Waar ligt de grens dan wel? Als je het discriminatoir karakter van Wilders' uitspraken erkent en hem vervolgens in de context van het maatschappelijk debat wel de vrijheid geeft om te discrimineren kan dat niet anders worden gezien als het onderuit halen van de de strafbaarheid van discriminatie op grond van godsdienst. Als Wilders niet strafbaar is, wie zou dat dan wel zijn?

De conclusie die hier getrokken moet worden is dat de bescherming van godsdienst en godsdienstige gevoelens bij omstreden uitingen uit de strafwet moet. Waarom niet gewoon toegeven dat de speciale behandeling van godsdiensten en hun belijders het vrije debat over ideologie en politiek hinderlijk frustreert? In dit debat horen de deelnemers elkaar op fatsoensregels aan te spreken. En politici moeten door hun kiezers worden afgestraft als ze over de grens gaan. En niet door een rechtbank.


,

13 juni 2011

Dilemma's rond een aardappelveldje


Het ontslag van de Leuvense onderzoekster Barbara van Dyck wegens deelname aan een actie tegen genetisch gemodificeerde aardappelteelt levert een interessante case op. De actievoerders claimen het recht om genetische modificatie te bestrijden. Het ontslag van een van hen zien ze als belemmering van de vrijheid om actie te voeren, een soort 'berufsverbot'. En tevens als een inperking van de vrijheid van meningsuiting. Ook de universiteit haalt dit grondrecht aan. Het ontslag wordt gemotiveerd met verwijzing naar de academische vrijheid. Onderzoek moet in vrijheid zonder inmenging van anderen kunnen plaatsvinden. Je vernielt niet het werk van je collega's. En er was in dit geval wel sprake van bewuste vernieling. Ook al trok Van Dyck zelf geen aardappels uit de grond, ze trad op als woordvoerder van de actiegroep Field Liberation Movement en nam achteraf ook geen afstand van de gebruikte methoden. Mark Waer, de rector van de KU Leuven:

"De vernieling van het proefveld getuigt van het gewelddadig verhinderen van de wetenschappelijk ondersteunde mening van de tegenpartij en van het moedwillig beschadigen van een door de wetgever goedgekeurd vrij onderzoek. Het schaadt daarmee twee fundamentele universitaire waarden: met name de vrije meningsuiting en de vrijheid van onderzoek. Dit laatste houdt in dat een wetenschapper met het grootste respect omgaat met het onderzoekswerk van collega’s, ook al vindt dit plaats binnen een andere universiteit of is men het oneens over de inhoud en impact ervan"

Dit standpunt wordt onder vuur genomen door een aantal collega-onderzoekers op het gebied van mensenrechten die van mening zijn dat de rector buitenproportioneel heeft gereageerd op deze actie. Allereerst had hij het resultaat moeten afwachten van gerechtelijk onderzoek. In hoeverre waren zij strafbaar volgens de wet? Maar vervolgens menen zij dat het ontslag ook een kwalijk effect kan hebben op het vrije academische debat:

"Wij vrezen dat KU Leuven-rector Mark Waer met dit ontslag in ons patattenveld niet slechts één plant heeft uitgetrokken, maar er een virus heeft binnengebracht dat de smaak van de vruchten grondig kan bederven en de academische biotoop aantast. In ons vakgebied noemt men dat virus het chilling effect: het is het gegeven dat zichtbaar en streng optreden tegen meningsuitingen leidt tot zelfcensuur die het debatklimaat verarmt. Een sanctie tegen één persoon smoort de meningsuiting van vele anderen. In omgevingen waar een vrije debatcultuur bij uitstek van belang is, zoals in de media, in de politiek of in de kunsten, maakt het chilling effect dat uiterst spaarzaam moet worden omgesprongen met restricties op de vrije meningsuiting."

Wat moet het zwaarst wegen? De vrijheid om je te verzetten tegen ontwikkelingen die een gevaar inhouden voor mens en milieu is een groot goed. Niet elk middel is geoorloofd, maar een zekere marge voor overtredingen van geldende regels mogen we toch wel in acht nemen. Anders kan Greenpeace meteen opgeheven worden, terwijl de resultaten van deze organisatie toch door velen gekoesterd worden. Vernieling van een aardappelveldje lijkt me binnen een acceptabele range te vallen. De actievoerders riskeren bewust een boete. Daar is niets mis mee, want daar staat tegenover dat ze hebben kunnen laten zien dat het hen menens is. Genetische modificatie is gevaarlijk.
Dat aan beide kanten een beroep wordt gedaan op de uitingsvrijheid is interessant. Ik kan moeilijk inzien dat vernieling van gewassen beschermd zou moeten worden door het recht op een vrije meningsuiting. De vrijheid van de wetenschappelijk onderzoeker heeft daar anderzijds wel iets mee te maken. Politieke sturing van onderzoek past niet in een democratische samenleving. De actievoerders hadden het resultaat van het experiment met de aardappels moeten afwachten voordat ze ingrepen. Maar het meest duidelijk is de uitingsvrijheid toch in het geding door wat de collega-onderzoekers het chilling effect van het ontslag noemen. Het disciplineren van de universitaire medewerkers om in het gareel te blijven van hun instituut. Academici moeten de ruimte krijgen om dwars te zijn. Anders kunnen zij hun maatschappelijke rol niet spelen. Daarom is het ontslag van de Leuvense onderzoekster inderdaad ook een aanslag op het vrije academische debat.
,

26 mei 2011

Steijnen stuurt aan op verbod PVV


Het OM is consistent in de rechtszaak tegen Wilders. Ook in tweede instantie luidt de eis : vrijspraak. Er is geen sprake van groepsbelediging omdat Wilders de islam, de godsdienst of de politieke ideologie zoals hij zelf zegt, aanvalt, en niet de moslims zelf. Ook de uitspraken die lijken op haat zaaien tegen moslims, zoals de vergelijking tussen de Koran en Mein Kampf, legt het OM uit als gericht tegen de islam. Als hij schrijft over een 'invasie van moslims' moet dat gezien worden in de context van zijn waarschuwing voor de toenemende invloed van de islam in Nederland.
Het OM is niet van mening veranderd. Het had jaren geleden op dezelfde gronden klachten tegen Wilders geseponeerd. In feite geven ze nu een toelichting op die beslissing, daartoe gedwongen door de de correctie van het Gerechtshof dat vervolging wel noodzakelijk vond. De kans dat de rechtbank het OM volgt lijkt me redelijk groot.

De aandacht voor het proces Wilders in de media is inmiddels behoorlijk verslapt. De eis tot vrijspraak was nauwelijks nieuws. Vrijwel onopgemerkt bleef de bijdrage van de advocaat van een van de benadeelde partijen, Nico Steijnen (foto), die na het OM het woord mocht voeren om de positie van de benadeelden toe te lichten. Voordat het zo ver was had de rechtbank een half uur nodig om Steijnen's toespraak namens de Beweging tot Herstel van het Respect te censureren. Hij mocht namelijk niet optreden als een alternatieve aanklager. Maar feitelijk was hij dat wel, ondanks alle geschrapte passages. Moszkowicz probeerde de rechtbank er dan ook met al zijn overtuigingskracht toe te bewegen Steijnen buiten de orde te plaatsen. Tevergeefs. Het valt nog mee dat hij niet opnieuw tot wraking overging.

Het betoog van Steijnen tegen Wilders is opmerkelijk (ik baseer me op de rechtstreekse uitzending, ik kan nergens een verslag vinden). Hij keert zich namelijk niet tegen de uitlatingen van Wilders waarvoor hij volgens het Hof vervolgd moet worden. Volgens Steijnen gaat het helemaal niet om uitlatingen, en dus ook niet over de uitingsvrijheid. Het gaat in deze zaak over het optreden van Wilders, zijn politieke praktijk. Die is vergiftigend en bedreigend voor alle moslims in Nederland, die maakt het land voor hen onleefbaar. Wilders eist geen maatregelen tegen een religie, tegen ideeën, maar tegen moslims. Zij mogen van hem niets meer, zij krijgen geen ruimte meer in dit land. Dat is waar hij in de praktijk aan werkt. En volgens Steijnen is een dergelijke machtsvorming tegen een groep mensen ontoelaatbaar. Steijnen stuurt hiermee feitelijk aan op een verbod van de PVV. Zo wordt het toch nog een politiek proces en krijgt Wilders wat dat betreft gelijk. Het is de vraag of de benadeelden hiermee geholpen zijn.

Steijnen's pleidooi om niet naar de woorden maar naar de daden van Wilders te kijken zal de rechters waarschijnlijk niet overtuigen. Wilders wordt niet voor zijn daden maar voor zijn woorden vervolgd. De rechter zal een grens trekken als woorden tot aantoonbare schade leiden. Een bedreiging die iemand daadwerkelijk schaadt, hem in zijn bewegingsvrijheid beperkt, kan te ver gaan (Wilders is daarvan zelf het voorbeeld). Uitlatingen die voor anderen, zoals de Amerikanen dat noemen, een "clear and present danger" oproepen kunnen niet getolereerd worden. Dat heb ik Steijnen echter niet horen zeggen en het lijkt me in het geval van Wilders en de PVV ook moeilijk te bewijzen, zelfs in hun gedoogrol bij de huidige regering. Het eisen van maatregelen is daarentegen een democratisch recht dat elke burger en elke politieke partij heeft.

In 1997 is Hans Janmaat van de Centrumdemocraten veroordeeld omdat hij op een demonstratie van zijn partij had gezegd dat hij de multiculturele samenleving zou afschaffen als hij daartoe de macht en de middelen in handen zou krijgen. Dat deze uitspraak toen niet is opgevat als een politiek-programmatische was niet lang daarna voor zijn weduwe aanleiding om -tevergeefs- een verzoek tot herziening in te dienen nadat Pim Fortuin hetzelfde had gezegd. Ook Balkenende heeft in die dagen iets dergelijks geschreven zonder dat dit tot enige ophef leidde. Het problematiseren van de multiculturele samenleving was inmiddels gemeengoed geworden in het politieke debat.
Wat Steijnen ontoelaatbaar vindt, het optreden van Wilders, machtsvorming om maatregelen tegen moslims door te kunnen voeren, is een consequentie van ons politiek bestel. Er zijn mensen die die mening hebben. Die vinden elkaar in een politiek program en in een vertegenwoordiger die dit uitdraagt. Het program ontoelaatbaar maken is de democratie om zeep helpen. De uitvoering van het program in dit geval eveneens. Helemaal akkoord. Maar het is de politiek en niet de rechtbank die dit zal moeten verhinderen.

22 mei 2011

VVD knielt voor SGP


Het opportunisme van de regerende liberalen heeft een nieuw hoogtepunt bereikt in het intrekken van de steun aan een wetsontwerp voor de afschaffing van het verbod op godslastering. Als kamerlid tekende Fred Teeven voor het initiatief van D66 en de VVD om art. 147, het verbod op smalende godslastering, uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen. Als staatssecretaris in het CDA-VVD kabinet dat morgen de kans loopt in de Eerste Kamer een meerderheid van oppositiepartijen tegenover zich te krijgen leek het hem beter zijn handtekening onder het ontwerp weg te halen om de SGP gunstig te stemmen. Die partij, verklaard tegenstander van afschaffing van het verbod, zou in de Eerste Kamer wel eens de doorslag kunnen geven. "Voor wat hoort wat" zei SGP-senator Holdijk gisteren in Nieuwsuur. De VVD aanvaardt de realiteit en neemt een loopje met haar principes.

De VVD-move is een slag in het gezicht van de niet-religieuze meerderheid van de Nederlandse bevolking. Het lijkt er op alsof we nooit van dit obsolete, sinds lang niet meer gebruikte, puur symbolische wetsartikel af kunnen komen. Al in 2004 was er een meerderheid in de Tweede Kamer voor afschaffing van het verbod op godslastering toen minister Donner voorstelde om het artikel nieuw leven in te blazen. In de nadagen van de moord op Theo van Gogh vonden ook de voorstanders van afschaffing het echter niet opportuun om dat signaal op dat moment af te geven. In de nieuwe CDA-PvdA-CU regering werd Hirsch Ballin minister van Justitie. Hij had ook moeite met afschaffing van het verbod. Opvallend was toen de opportunistische houding van de PvdA die zijn coalitiegenoten niet onder druk wilde zetten. Uiteindelijk denkt Hirsch Ballin in 2008 toch een uitweg gevonden te hebben door de afschaffing van art. 147 te koppelen aan een wijziging van het artikel dat discriminatie en belediging van bevolkingsgroepen op grond van o.a. godsdienst verbiedt (137 c.). Hij wil niet alleen het beledigen van mensen strafbaar blijven stellen, maar ook het kwetsen "van wat voor hen heilig is". Dus een verbod op godslastering in een nieuw jasje, eigenlijk zoals zijn collega Donner in 2004 al voorstelde. De aantasting van de vrijheid van meningsuiting blijft, de ongelijke behandeling van gelovigen en niet-gelovigen eveneens, hoezeer Hirsch Ballin zich daar tegen poogde te verweren. Zijn plan heeft het ook niet gehaald. En nu is er nog het VVD-D66 wetsontwerp uit de vorige periode dat heel eenvoudig alsnog, in overeenstemming met de wil van een kamermeerderheid, afschaffing van art. 147 bepleit. Jammer dat er niet eerder over gestemd is. De uitingsvrijheid is bij de opportunistische VVD ondanks alle imagebuilding niet in goede handen.

,

23 april 2011

CDA en VVD bewijzen Von der Dunks gelijk


Thomas von der Dunk mocht de Arondéuslezing "Het nieuwe taboe op de oorlog" niet uitspreken van de provincie Noord-Holland. Dat wordt geweten aan de PVV, meer in het bijzonder aan zijn afgevaardigde Hero Brinkman. Nadat hij van CDA en VVD had gehoord dat de spreker de PVV zou gaan bekritiseren zei hij: "Als jullie deze antisemiet Von der Dunk een podium geven om zich tegen de PVV af te zetten, zal ik hem niet alleen in het debat bij de enkels afzagen, maar dan is het misschien ook de laatste Willem Arondéus Lezing geweest". Kennelijk durfden de vertegenwoordigers van de regeringspartijen, die afhankelijk zijn van de gedoogsteun van Brinkman c.s., de lezing toen niet meer te gedogen. Het commentaar van Brinkman wordt breed uitgemeten in de pers. Zeker nu zijn partij deze week in Den Haag ook nog eens in het nieuws was vanwege het verbieden van anti-PVV leuzen in een demonstratie van trampersoneel. De Partij voor de vrijheid van alleen de eigen meningsuiting valt door de mand. Maar aan CDA en VVD wordt niets meer gevraagd. En als je het verhaal van Von der Dunk leest zijn het juist déze partijen die door de mand vallen.
"Het nieuwe taboe op de oorlog" gaat in feite over de regeringspartijen die zich niet krachtig genoeg verzetten tegen standpunten van de PVV die de democratie en de rechtstaat ondermijnen. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben we niet meer zoiets gezien, betoogt Von der Dunk. Openlijke discriminatie van een deel van de ingezetenen van Nederland, de hetze tegen de rechterlijke macht, een ondemocratische, financiëel niet openbaar controleerbare partij, de 'fact-free-politics', het complotdenken, dat alles staat haaks op de democratische gedachte en de principes van de rechtstaat. Het politiek opportunisme en het gemak waarmee een deel van de maatschappelijke elite zich "onder druk van een agressief populisme" hieraan aanpast is verontrustend.

"De angst de roep van het Gesundes Volksempfinden
te missen en anderhalf miljoen kiezers te 'demoni­seren' - zoals de standaardreactie van de PVV bij elke kritiek op haar doen en laten luidt - heeft inmiddels bij de regeringscoalitie tot een grootschalig wegkijken geleid als er weer eens discutabele, of zelfs ronduit schunnige uitspraken worden gedaan."

Von der Dunk bekritiseert niet zozeer de PVV, maar het CDA en de VVD. Het feit dat deze partijen de doorslag gaven om de lezing af te gelasten onderstreept zijn stelling. De geweigerde spreker zegt in de NRC (22-4) dat op deze manier de Arondéuslezing voorgoed is besmet.

Het doet mij denken aan de beperking van de uitingsvrijheid door een andere CDA-politicus, toevallig ook met de naam Brinkman. Eelco Brinkman, in 1985 minister voor Cultuur weigerde de P.C.Hooftprijs (toen nog staatsprijs) toe te kennen aan Hugo Brand Corstius vanwege diens onheuse bejegening van partijgenoot Ruding in zijn column in De Volkskrant. Ook al ging de prijs dat jaar niet door, het daarop volgende jaar werd hij ontdaan van het predicaat staats- alsnog aan Stoker (het pseudoniem van BC) uitgereikt.
De provincie Noord-Holland kan uit politiek opportunisme en schijterigheid volgend jaar misschien een podium voor het vrije woord sluiten. Maar verder kan iedereen nu toch van Von der Dunks lezing kennis nemen en wordt er veel meer over geschreven dan wanneer de lezing zou zijn gehouden. Laten we hopen dat zijn alarmbellen worden gehoord.

17 april 2011

Geen zielige dieren op open dag Landbouwuniversiteit


De Wageningen Universiteit verwijderde zes foto's van Marianne Berkhoff uit een tentoonstelling in het hoofdgebouw tijdens de voorlichtingsdagen voor nieuwe studenten. De foto's horen bij een serie portretten van boerderijdieren. De dieren staan er in hun eentje in een omgeving van hekken en kale muren wat zielig bij te kijken. Een kip op uitgezakte poten lijkt een obesitas-patiënt. Berkhoff veronderstelt dat de universiteit de foto's niet vond passen bij het beeld dat men wil uitdragen (NRC Wetenschapsbijlage 16 april). Zelf vind ze dat haar foto's een bijdrage leveren aan de discussie over industriële veeteelt.
Een woordvoerder van de universiteit sprak aanvankelijk van een uiterst ongelukkig misverstand. Er moest ruimte gemaakt worden voor banners en posters in het kader van de voorlichtingsdagen. Maar dat bleek een smoesje. De aap kwam uit de mouw in een mail van het hoofd communicatie aan de deelnemende fotografen: "We moesten goed begrijpen dat studenten de 'core business' van de universiteit waren."
Kunstenaars hebben het nakijken als ze de belangen van de business dreigen te schaden. Dat is wel vaker vertoond. Of als ze niet voldoen aan geldende normen van fatsoen. Het probleem speelt vooral bij kunst in de openbare ruimte: op straat of in openbare gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, gemeentehuizen, of stationsgebouwen. Het schijnt erg moeilijk te zijn kunst in de openbare ruimte louter als kunst te zien en als kunst te beoordelen. In de context van de openbare ruimte mag kunst kennelijk niet in strijd zijn met algemene normen en moet zij zich onderwerpen aan de normen zoals die door de beheerders van die ruimte worden gehanteerd. Kunst wordt in openbare gebouwen gebruikt als bindmiddel en als statusobject. De functie van kunst als kritisch commentaar of als stof tot nadenken is in die context minder gewenst. In een museale omgeving zijn er meestal minder bezwaren tegen de vrije kunst die zich niet laat 'embedden'. Maar daar komt dan ook slechts een heel klein en elitair deel van het publiek. De meerderheid moet het doen met kunst die niet verstoort en zich soepel aanpast aan de geldende maatstaven van de familie Doorsnee.

13 maart 2011

Vuitton tegen de vrije kunstenaar

Dit schilderij heet Darfurnica. Het is een kunstwerk van de Deense, in Nederland wonende kunstenares Nadia Plesner. Het is door de rechter verboden omdat het zwarte jongetje in het midden een tas in z'n hand houdt met een motief waarop het Franse bedrijf Louis Vuitton het exclusieve recht heeft. Plesner heeft het eerder aan de stok gehad met Vuitton vanwege het gebruik van zijn tas. In 2008 tekende ze het jongetje met de tas om aandacht te vragen voor de situatie in Darfur. Vuitton heeft haar toen ook een proces aangedaan en uiteindelijk is Plessner gestopt met het gebruik van de tas. Nu heeft ze de draad weer opgepakt met dit schilderij, waarvan de titel en de afbeelding refereren aan Guernica, het beroemde schilderij dat Picasso gemaakt heeft naar aanleiding van het bombardement van de stad Guernica in de Spaanse burgeroorlog door de Duitse en Italiaanse luchtmacht.
Vuitton heeft de zaak opnieuw aanhangig gemaakt en de rechter heeft de kunstenares een boete opgelegd van 5000 euro voor elke dag dat het kunstwerk zichtbaar is (het hangt momenteel in Kopenhagen). Hiervoor diende een speciaal soort kort geding over intellectuele eigendomsrechten, een spoedprocedure waarin de kunstenares niet werd gehoord. Haar beroep op de artistieke vrijheid van de kunstenaar heeft geen rol gespeeld. Het vonnis is enkel gebaseerd op het Gemeenschapsmodellenrecht in de EU. De kunstenares wordt voorgesteld als een valse concurrent van Vuitton die zijn ideeën voor eigen gewin uitbuit.
Volgens Dirk Visser, hoogleraar intellectueel eigendom, is dit recht echter nooit bedoeld geweest voor dit soort zaken. Hij vindt dat grote, bekende merken er niet aan kunnen ontkomen dat hun producten als symbolen van de consumptiemaatschappij gebruikt worden door kunstenaars. Plesner's werk heeft een boodschap van algemeen belang dat het particuliere merken belang overstijgt. Ook de verkoop van t-shirts, die misschien nog wel in verband gebracht kan worden met het merkenrecht, is geen puur particulier belang omdat de kunstenares de winst doneert aan goede doelen. Dat zij er naamsbekendheid door heeft verkregen is vooral de verdienste van Vuitton zelf, dus om haar op dat punt te straffen is wel heel vreemd.
Vuitton's pijn zit 'm natuurlijk ook in het beeld van de tas in de context van een verschrikkelijke burgeroorlog waar nog dagelijks slachtoffers vallen. Dit soort grote bedrijven doen in de regel alle moeite om hun product als onderdeel van de moderne wereld, als accessoire voor de moderne mens voor te stellen. Tegen een straatbeeld met Vuitton-tassen in een tijdschrift zal Louis geen bezwaar maken. Integendeel. Hij zal zelf zoveel mogelijk van die beelden proberen te organiseren om zijn tas te promoten. Zodra echter iemand zijn merk in een niet door hem geënsceneerde context plaatst komen zijn juristen actie. Wij zijn wel van de wereld, maar alleen van de wereld zoals wij hem graag zien. Uiteindelijk draait het natuurlijk om ons geld. Precies dat heeft Nadia Plesner willen aantonen en daarom is dit conflict zo belangrijk voor de verdediging van de vrije kunst.
Plesner laat het er dan ook niet bij zitten. Dat geeft andere kunstenaars hoop. Ook cartoonisten zoals Ruben Oppenheimer gebruiken soms beelden van grote merken in hun spotprenten. Oppenheimer vreest na deze zaak voor zelfcensuur bij zijn collega's om "gedoe" te voorkomen. Hij zal zich er zelf niet door laten leiden omdat hij vindt dat het hier om beeldtaal gaat die van ons allemaal is. Zo redeneert ook Plesner: in een tekening of schilderij moeten beelden toch anders beoordeeld worden dan in een puur commercieel product.

,

10 maart 2011

De kennis was even weggezakt


Minister Hillen moest zich vorige maand in de Kamer verantwoorden voor fraude bij een defensie-onderdeel. Hij zei toen dat hij geen vergelijkbare zaken kende. Die waren er wel, en zelfs bij dezelfde Defensie Materiëel Organisatie. Gisteren is hij hierop aangesproken: de Kamer onjuist ingelicht of informatie onthouden, een doodzonde voor een minister. Maar Hillen wist niets van deze nieuwe affaire, zei hij. En bij zijn secretaris-generaal Annink, die wel op de hoogte bleek, was de kennis van die nieuwe reeks integriteitsschendingen "even weggezakt". Volgens Hillen maakte hij een "inschattingsfout" door zijn hoogste baas niet in te lichten.
Vreemd verhaal. Òf de kennis is weggezakt en dan zou je kunnen vergeten iets te melden, òf je maakt de foutieve inschatting iets wat je weet niet te melden. Maar wat is er nu met Annink precies gebeurd? Hillen verdedigde zijn ministerie, zijn ambtenaren en zichzelf gisteren in alle toonaarden. Als ex-voorlichter weet hij goed hoe hij dat moet doen. "De zaak moet niet groter worden gemaakt dan hij is."Komt hij er mee weg? Het zou me niets verbazen. De beschermers van onze democratie hebben inmiddels al zo veel doofpotaffaires overleefd dat het lijkt alsof ze boven de wet staan. Zoals gebruikelijk komt er nu ook weer een onderzoek. Hillen houdt ons nog wel een tijdje zoet. Maar volgens hem zijn er bij zijn organisatie geen structurele problemen. Daar worden wel eens andere geluiden over gehoord.

De affaire bij Defensie is aan het rollen gebracht door een klokkenluider. Opnieuw komt de rol en de positie van klokkenluiders aan de orde. Een structurele regeling is er nog steeds niet. "Hillen zou baat hebben gehad bij steun voor klokkenluiders." schrijft SP-kamerlid Ronald van Raak. Een klokkenluider is een uitstekende controleur van de integriteit in organisaties. Die moet je dus niet straffen, zoals nu vaak gebeurt, maar beschermen. Hij pleit voor een onafhankelijk instituut voor klokkenluiders. Het belangrijkste probleem is echter dat Nederland anders dan bijvoorbeeld Engeland en IJsland een wettelijke bescherming van klokkenluiders mist. Voorbeelden van klokkenluiders met wie het slecht is afgelopen weerhouden mensen er nog steeds van kennis over misstanden, fraude en schendingen van de integriteit door ambtenaren publiek te maken.

25 februari 2011

De beperkte uitingsvrijheid van ambtsdragers


De vrijheid van meningsuiting is niet voor iedereen even groot. Wie een publieke functie vervult moet zich in het openbaar inhouden. Dat ondervond de Drentse politiechef Gerda Dijksman (foto) die na een uitglijder over de PVV een al te voorbarige conclusie over de oorzaak van een ongeval publiek maakte via Twitter. Er volgde een tuchtrechtelijk onderzoek met als uitkomst dat zij zich schuldig gemaakt heeft aan ernstig plichtsverzuim. "Ze heeft de nabestaanden pijn gedaan en onrust veroorzaakt in de samenleving", schrijft de korpsbeheerder. En daarom is ze uit haar functie ontheven. Ook als voorbeeld voor andere twitterende gezagsdragers, vermoed ik.
Ook staatssecretaris Bleker (CDA) heeft zich verkeken op zijn uitingsvrijheid. Hij dacht dat hij in het kader van de verkiezingscampagne wel vrij genoeg was om nu eens een keer echt te zeggen wat hij dacht van de PVV. Dat hij het helemaal gehad heeft met die partij. Maar dat mocht hij van zijn baas Rutte niet zeggen over de gedoogpartner van de regering waar hij deel van uitmaakt. En van Geert al helemaal niet natuurlijk. De PVV-leider maakt er nooit een punt van om anderen uit te schelden of zwart te maken. Maar als hij zelf het onderwerp is van spot dan kent zijn gemaakte woede geen grenzen. Bleker moest beleefd zijn excuses maken. Een ergere straf voor een politicus kan ik me niet voorstellen.
En dan was er deze week ook nog de roddel van theoloog en dichter Oosterhuis over de koningin. Als staatshoofd is Beatrix eigenlijk de enige in Nederland die geen recht heeft op de vrijheid van meningsuiting. En iedereen die met haar contact heeft mag niets van wat zij zegt naar buiten brengen. Vriend Oosterhuis kon het echter niet laten en vertelde in een tv-programma dat de kersttoespraak van Beatrix afgelopen jaar zwaar gecensureerd was om Wilders niet tegen het hoofd te stoten. Of het waar is of niet zullen we waarschijnlijk pas over honderd jaar weten. Beatrix hult zich in stilzwijgen. Maar ze heeft Oosterhuis wel laten verklaren dat hij "een beetje dom" is geweest om het allemaal zo naar buiten te brengen.

En zo is alles weer met de mantel der beslotenheid bedekt.

,

21 januari 2011

Hoe democratisch is Nederland?


Nederland staat onveranderlijk hoog genoteerd in de lijst van democratische landen van het het Amerikaanse Freedom House. Op grond van het jaarlijkse overzicht van politieke rechten en burgerlijke vrijheden mogen we ons gelukkig prijzen hier te wonen en en niet in Wit-Rusland of Noord-Korea. Maar democratie is behalve een bestuursvorm ook een ideaal om aan te werken. En dus valt er in Nederland ook nog wel wat te doen. Aan de informatievoorziening bijvoorbeeld, de basis van een democratische besluitvorming.
Nederland loopt niet voorop als het om openbaarheid van overheidsinformatie gaat. In de documentaire Woberator zegt GroenLinks Tweede Kamerlid Mariko Peters dat Nederland afglijdt naar een besloten bestuurscultuur. De recente Wikileaks onthullingen laten zien dat ook Tweede Kamerleden niet altijd goed geïnformeerd worden. Zo blijken de Verenigde Staten door Defensie beter geïnformeerd te zijn over de regeringsplannen met de JSF dan ons eigen parlement.

Volgende week promoveert Guido Enthoven in Tilburg op een proefschrift over de informatievoorziening van de Tweede Kamer. Hij constateert op grond van zijn onderzoek dat de regering het parlement slecht informeert. Er is sprake van een grote asymmetrie in de informatie tussen enerzijds de regering die een enorm ambtenarenapparaat achter zich heeft en anderzijds de Tweede Kamer. De zogenaamde Oekaze-Kok verbiedt directe communicatie tussen ambtenaren en Tweede Kamerleden. Het grootste probleem is echter de ongelijkheid in de informatievoorziening. Leden van de oppositie zijn altijd minder geïnformeerd dan leden van fracties die tot de regeringscoalitie behoren. Via de eigen ministers kunnen parlementariërs van de coalitie namelijk wel toegang krijgen tot informatie die dankzij de Oekaze-Kok niet beschikbaar is voor de oppositie. Zo wordt het principe van de gelijkheid van informatie, voorwaarde voor een eerlijk debat, met voeten getreden. En dat is geen gering smetje op het de democratisch blazoen van de Nederlandse overheid.

,

06 januari 2011

Verboden getal: 1312


Demonstranten tegen de oorlog in Vietnam die "Johnson moordenaar" riepen werden eind jaren zestig beboet wegens belediging van een bevriend staatshoofd. Alternatieven als "Johnson moordvent" of "Johnson Molenaar" konden ook niet door de beugel.
Aan deze geschiedenis moest ik denken bij het bericht dat Amsterdamse voetbalfans veroordeeld zijn wegens het dragen van een T-shirt met daarop het getal 1312. Dat getal, hebben de autoriteiten uitgevonden, staat in werkelijkheid voor een afkorting, namelijk ACAB. En deze afkorting, zo laten zij weten staat voor "All cops are bastards". En die tekst is verboden. Belediging van het gezag. Hoe ver kun je gaan?
Twee jaar geleden werd een jongeman uit Goes die ACAB op zijn bomberjack had staan in eerste instantie nog vrijgesproken. Het OM ging echter in beroep en het hof veroordeelde hem tot 200 euro boete. Ook al wist toen vrijwel niemand wat ACAB betekende. De jongeman wist het zelf wel, gaf hij toe. En politie-agenten uitmaken voor “een onwettig kind, een niet raszuiver persoon, of een persoon van mindere kwaliteit” is een belediging van een ambtenaar in functie, vond het hof.
In Leeuwarden werd later ook nog een man met een ACAB T-shirt aangehouden toen hij het politiebureau binnenliep. Zijn verklaring dat ACAB stond voor "Acht cola, acht bier" mocht niet baten. Ook hij kwam voor de rechter. En in de krant. Want het is een leuk verhaal, toch?
En inmiddels weet iedereen wat ACAB betekent en nu weet iedereen ook wat 1312 betekent.
Wordt het niet tijd dat politie en justitie zelf vervolgd worden vanwege het verspreiden van beledigende leuzen? Of zou het toch beter zijn als onze dienaren van Hermandad zich wat minder gevoelig zouden tonen en hun aandacht weer meer gaan richten op hun eigenlijke taak.



,

26 december 2010

Christenen tegen verbod op belediging van godsdiensten


De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft vorige week opnieuw een resolutie aangenomen die oproept om het beledigen van godsdiensten overal in de wereld te bestrijden. Eerder waren ook al resoluties met dezelfde strekking aangenomen, afkomstig van de organisatie van islamitische landen (OIC). De tekst van de resolutie ( zie concept nr. A/C.3/65/L.46/Rev.1) is algemeen gesteld en roept in alle toonaarden op tot verdraagzaamheid voor gelovigen in de hele wereld. Slechts op een plek is er een explicite verwijzing naar de islam, namelijk daar waar bezorgdheid wordt uitgesproken over de onjuiste associatie tussen islam en schendingen van de mensenrechten en terrorisme (punt 7). De resolutie bevestigt eerdere uitspraken van de VN waarin staat dat "terrorism cannot and should not be associated with any religion, nationality, civilization orethnic group..."
Tegen deze resolutie is geageerd door de internationale christelijke organisatie Open Doors. Dit is een organisatie die opkomt voor vervolgde christelijke minderheden en in landen met een christelijke minderheid actief is door bijbels te verspreiden en trainingen te geven. Begin deze maand bood Open Doors 400.000 handtekeningen aan bij de VN tegen het aannemen van deze resolutie. De belangrijkste kritiek op de resolutie is "dat godsdiensten in bescherming worden genomen en daarmee de meerderheid die een bepaalde godsdienst aanhangt. Religieuze minderheden kunnen met een verwijzing naar deze resolutie worden onderdrukt. In veel moslimlanden mogen christenen niet zeggen dat Christus de Zoon van God is, omdat dit een belediging is voor de islam." De resolutie is weliswaar niet bindend, maar als deze telkens wordt aangenomen bestaat volgens Open Doors de kans dat ze wordt opgenomen in een internationaal verdrag.

God verhoede inderdaad dat er een internationaal verdrag komt met de strekking van deze resolutie. Maar dat uitgerekend christenen er tegen te hoop lopen is opmerkelijk. In de concept-tekst waarvoor de handtekeningenactie werd gevoerd lezen we weinig over onderdrukking van minderheden of individuen. De resolutie roept staten en staatsdienaren op "[to] respect people regardless of their different religions and beliefs end [...] not discriminate against persons on the grounds of their religion or belief..". Dat de praktijk er in vele landen anders uitziet wil ik graag geloven, maar waarom dan actie voeren tegen zo'n vrijblijvende VN-uitspraak? Het opkomen voor de vrijheid van het individu is bepaald aandoenlijk. In veel christelijke landen zou men zich een dergelijke houding graag wensen. Homofielen wachten met smart op signalen in die richting, evenals vrouwen die baas in eigen buik willen zijn. En tenslotte zouden we de christenen ook nog kunnen vragen of deze actie tegen het beledigen van godsdiensten ook geen consequenties zou moeten hebben voor het Nederlandse verbod op godslastering en het verbod op het beledigen van mensen op grond van onder andere godsdienst? Krijgt de Nederlandse regering binnenkort ook handtekeningen aangeboden voor afschaffing van deze artikelen uit de Nederlandse strafwet? Gunnen christenen in eigen land andersdenkenden wel dezelfde vrijheid die ze nu zo graag elders in de wereld voor hun geloofsgenoten willen beschermen?

18 december 2010

Soekarno, Hatta en de Hofstadgroep


Zeven leden van de Hofstadgroep zijn alsnog veroordeeld wegens deelname aan een terroristische organisatie. Ze waren daarvoor eerder veroordeeld door de rechtbank van Rotterdam, daarna vrijgesproken door het Gerechtshof in Den Haag. Na tussenkomst van de Hoge Raad moest nu het Gerechtshof in Amsterdam opnieuw uitspraak doen. Daar luidde het oordeel "dat de verdachten wel degelijk hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband van voldoende structuur en duurzaamheid om te kunnen spreken van een organisatie. Voorts stelt het hof vast dat die organisatie gericht was op opruiing, aanzetten tot haat en geweld, en bedreiging, onder meer met een terroristisch misdrijf." Vijf mensen kregen 15 maanden. De andere twee kregen veel zwaardere straffen vanwege het bezit van handgranaten, resp. het gooien van een handgranaat naar de politie.

De veroordeling wegens gebruik van geweld laat ik hier even buiten beschouwing. Interessanter is deze zaak vanuit de invalshoek van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting. De procesgang laat zien dat de rechters van mening verschillen inzake als terroristisch bestempelde groepen. De Hoge Raad had de zaak terugverwezen naar het Hof omdat hij vond dat er bij de vrijspraak uitgegaan was van een te enge definitie van een terroristische organisatie. Kennelijk moet de streep bij dergelijke groepen wat eerder getrokken worden. Maar de vraag is of een ruimere definitie van wat strafbaar is geen inbreuk maakt op burgerlijke politieke vrijheden.

Dit is geen nieuwe vraag. Toevallig las ik deze week de afscheidsrede van hoogleraar staatsrecht J.M. de Meij onder de titel "Geen daden maar woorden"(2003). De Meij heeft meer gepubliceerd over uitingsvrijheid en bij zijn afscheid besprak hij enkele historische processen uit de Nederlandse koloniale geschiedenis.

In Nederland stonden in 1927 enkele Indische studenten terecht wegens "opruiing tot gewelddadig optreden tegen het Nederlandsch Openbaar Gezag". Een van deze studenten was de latere vice-president van Indonesië Mohammed Hatta. De studenten werden vrijgesproken omdat de studenten volgens de rechtbank mensen niet direct hebben aangezet tot geweld. Propaganda voor geweld werd door de rechtbank niet gelijk gesteld aan opruiing tot onmiddellijk gebruik van geweld. Dat argument lijkt op wat in de Verenigde Staten wordt genoemd: 'a clear and present danger'. Bij afwezigheid van dat onmiddellijke gevaar is er geen sprake van strafbaarheid. Dan geldt immers ook de verantwoordelijkheid van de ontvangers van de boodschap die al dan niet kunnen overgaan tot het gebruik van geweld. De Meij zegt dat "een pleidooi voor geweld in abstracto" (woorden, geen daden) tegenwoordig ook beschermd wordt door artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Nederlandse rechters die de Hofstadgroep tot twee keer toe hebben veroordeeld zijn het hier kennelijk niet mee eens.

Een tweede kwestie die De Meij bespreekt is de veroordeling van Soekarno in 1930 in het toenmalige Nederlands Indië wegens lidmaatschap van een vereniging met een criminele doelstelling en meer in het algemeen stemmingmakerij tegen de koloniale overheid. Soekarno draaide voor vier jaar de bak in. Waarom was zijn Partai Nasional Indonesio (PNI) crimineel? Critici van het vonnis van de koloniale rechtbank, waaronder De Meij, wijzen er op dat de rechter hier een nogal vreemde argumentatie hanteert. Er is geen sprake van criminele handelingen, er waren geen aanwijzingen voor gebruik van geweld. De rechter meende gewoon dat uit de revolutionaire taal van de PNI de gewelddadige doelstelling kon worden afgeleid. Je zegt iets dat mogelijk tot criminele handelingen kan leiden en dus ben je bij voorbaat crimineel. Dit is dus precies de omgekeerde redenering van de Nederlandse rechter die Hatta vrijsprak omdat er een verschil is tussen geweld prediken en geweld gebruiken. Hiermee, aldus de critici, construeerde de koloniale rechtbank zijn eigen feiten.

De Meij constateert dat de gronden waarop Soekarno werd veroordeeld ook later in kringen van juristen wel als gerechtvaardigd werden gezien. Tot vandaag de dag toe, lijkt met. Je zou je kunnen afvragen of het Amsterdamse Hof nu in 2010 niet in wezen hetzelfde doet als de koloniale rechtbank tachtig jaar geleden. Met uitzondering van die twee met de handgranaten lijken de "feiten" waarop de meerderheid van de Hofstadgroep veroordeeld is vooral te bestaan uit woorden en vermeende bedoelingen.

,

09 december 2010

Wikileaks als uitdaging voor de overheid


Wikileaks baas Assange zit in een Britse cel en kan uitgeleverd worden aan Zweden wegens zedenmisdrijven. Die zaak stinkt behoorlijk. Ik begrijp wel dat een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken niets kan veranderen aan een Europees arrestatiebevel vanwege deze aanklacht. Maar kan hij zich ook afzijdig houden als straks de Verenigde Staten om uitlevering vragen om Assange te vervolgen voor het on-line zetten van uitgelekte, geclassificeerde documenten? De strafbaarheid van Wikileaks staat volgens Europese normen nog helemaal niet vast. Bescherming van Wikileaks is in het belang van de internetvrijheid en het recht van burgers op verantwoording van het overheidshandelen goed te verdedigen. De petitie die Rutte oproept om Assange politiek asiel te verlenen is weliswaar wat onhandig omdat er ook gevraagd wordt het Zweedse arrestatiebevel te negeren, maar ik heb hem voor het grotere belang toch graag ondertekend.

Wat is het grotere belang in de Wikileaks-zaak? In de eerste berichten over de inhoud van de gelekte documenten domineerde het beeld van roddelende ambassademedewerkers. Dit zou volgens sommige critici de vertrouwelijkheid van het verkeer tussen staten ernstig schaden. Met alle gevaren van dien voor de wereldvrede en de onderlinge betrekkingen. Het zou me verbazen. Eerder is dit lek te zien als een waarschuwing voor diplomaten om wat voorzichtiger te zijn en een stimulans voor beveiligingsmensen om de procedures aan te scherpen. Dat zal ongetwijfeld gaan gebeuren. Maar het gaat toch wat ver om deze incidenten verantwoordelijk te houden voor het uitbreken van oorlogen of andere ontwrichtende conflicten.

Het uitlekken van gevoelige plekken voor aanslagen lijkt me een serieuzer probleem. Maar zijn de kranten die hier melding van maken dan niet even schuldig? Het gaat hier uiteindelijk om de persvrijheid. Mogen de media informatie die op straat ligt publiceren? Als het antwoord daarop niet onverbiddelijk negatief is, dan volgt daaruit dat een veroordeling van Wikileaks ook niet vanzelfsprekend is. Ter discussie staat de verantwoordelijkheid van degenen die gebruik maken van de persvrijheid. We mogen van media verwachten dat ze zich inhouden als er duidelijk grote risico's verbonden zijn aan publicatie van bepaalde gegevens. Op dat punt verdient Wikileaks echter geen strengere behandeling dan de traditionele media. En alles overwegende vraag ik me af of de risico's van deze publicatie op kunnen wegen tegen het grote belang van de persvrijheid.

Het belang van de persvrijheid in deze klokkenluiders-affaire komt maar al te duidelijk aan het licht als we zien hoe er door sommige machthebbers op wordt gereageerd. Assange wordt door Amerikaanse politici neergezet als terrorist. De Amerikaanse regering maakt van Wikileaks een vijandige staat met wie alle betalingsverkeer verboden moet worden. Alleen al vanwege deze buitensporige politieke druk verdient Wikileaks bescherming. De kritiek van westerse landen op de manier waarop China met z'n tegenstanders omgaat wordt zo wel erg hypocriet.

Het belang van de Wikileaks-publicaties ligt eigenlijk niet zozeer in de inhoud van de documenten maar in het feit dat hier aangetoond wordt dat staten (maar ook bedrijven en andere organisaties) in deze informatiesamenleving meer en beter dan ooit gecontroleerd kunnen worden door burgers. En dat burgers nu ook die controle eisen. Regeringen en politici moeten hiermee leren leven. In een democratie moeten politici namelijk laten zien hoe verantwoordelijk ze omgaan met het hen gegeven mandaat. De boodschappers die hiervoor de nodige informatie aandragen moeten dan niet worden veroordeeld als onverantwoordelijk, staatsgevaarlijk of terroristisch. De verspreiding van informatie verhinderen omdat die mogelijk het vertrouwen in de politiek of de staat vermindert is het paard achter de wagen spannen. Dat vertrouwen komt er echt niet als je dwars tegen allerlei onthullingen in probeert kromme zaken recht te breien. Of, zoals Marjolijn Februari het formuleert in haar column over klokkenluiders: "De remedie tegen het afnemende vertrouwen ligt natuurlijk helemaal niet in het aanzetten tot vertrouwen, maar in het bieden van betrouwbaarheid."
Uit democratisch zelfbehoud, vindt Femke Halsema , zouden regeringen in dit internettijdperk moeten zoeken naar nieuwe vormen van democratische openbaarheid in plaats van te kiezen voor repressie, beperking van de internetvrijheid en desinformatie in antwoord op de burgerlijke ongehoorzaamheid van Wikileaks en consorten. Na de onthullingen over de Irak-oorlog, de Q-koorts en de misstanden bij de Voedsel- en Warenautoriteit mag er toch wel eens serieus werk gemaakt worden van een betrouwbare overheid.

,

30 november 2010

Minister tegen Electronic Intifada


Minister Uri Rosenthal van Buitenlandse Zaken gaat met de ontwikkelingsorganisatie ICCO praten over de website Electronic Intifada. Dit is een portal met nieuws en commentaar over het Israëlisch-Palestijnse conflict vanuit het Palestijnse perspectief. GroenLinks kamerlid Arjen El Fassed is er ooit mee gestart en werkte tot dit voorjaar als vrijwilliger voor de Electronic Intifada. ICCO heeft de website financieel gesteund en Rosenthal vindt dat dit niet kan, want ICCO ontvangt geld van Buitenlandse Zaken. En met dat geld mag geen website gefinancierd worden die geluiden laat horen die afwijken van het regeringsstandpunt, zei hij vandaag voor de radio.
ICCO weerlegt de "misleidende informatie" van de pro-Israel lobby die voor Rosenthal aanleiding was om in te grijpen. En meldt ook nog dat de bijdrage aan de Electronic Intifada afkomstig is uit particuliere donaties.

Maar ook als het ICCO de Electronic Intifada wel met ontwikkelingsgeld zou steunen komt de minister met zijn interventie gevaarlijk dicht bij een onaanvaardbare aantasting van het vrije verkeer van informatie. Het is toch een vreemde gedachte dat organisaties die gemeenschapsgeld ontvangen alleen maar standpunten mogen helpen verspreiden die de goedkeuring van de regering kunnen wegdragen? In welke tijd leven we? Ik ben bang dat onze ministers als dat zo zou zijn dagelijks vele bezoekjes moeten gaan afleggen bij allerlei media voor 'pittige gesprekken' (Rosenthal). Als je zijn standpunt doortrekt is een publieke omroep die gesteund wordt door de overheid eigenlijk ook onmogelijk. Een standpunt waar de PVV zich wellicht in kan vinden, maar de huidige regering toch echt niet.
De principiële vraag is of de inzet van gemeenschapsgelden altijd rechtstreeks in het verlengde van het regeringsbeleid moet liggen. "Onze belastingcenten" komen van een nogal divers samengesteld publiek. Het past de regerende meerderheid (nou ja , nu dan even een minderheid met gedoogsteun) in een democratie ook rekening te houden met minderheidsstandpunten. Zeker als het om communicatie gaat. In een democratie hoort rechts ook de vrijheid voor linkse standpunten te garanderen en andersom. Sommigen wensen dit democratische beginsel liever te negeren. Zoals christelijke politici die geen godsdienstkritiek dulden, of geen bloot op de buis. En zoals de PVV, die moord en brand schreeuwt bij linkse geluiden. Maar de VVD, mijnheer Rosenthal, was uw voorman ooit niet voor een verregaande verruiming van de vrijheid van meningsuiting?


,

25 november 2010

Kritiek op achterkamertjesoverleg geheim gehouden


Het omstreden anti-piraterij verdrag ACTA is weer een stapje dichterbij gekomen. Het internationale verdrag gaat over het harmoniseren van een strafrechtelijke aanpak van namaak en piraterij. De EU treedt in de onderhandelingen op namens Nederland. In de afgelopen jaren is er veel kritiek geweest op de beslotenheid van het overleg over dit verdrag. Organisaties die opkomen voor digitale burgerrechten hebben geheime vergaderstukken gepubliceerd. Het Europese Parlement heeft deze zomer een verklaring aangenomen dat er meer openheid van zaken gegeven moet worden. Tot dusver is er nog steeds heel veel onduidelijk. De besluitvorming over dit verdrag komt daardoor onder druk te staan. Kunnen de richtlijnen en wetten die hier uiteindelijk uit voort komen de democratische toets doorstaan als er geen sprake is van openheid over het voorafgaande proces en volledige informatie van parlementariërs en burgers?

Bij alle geheimzinnigheid rond dit ACTA-verdrag en de kritiek die dit oproept is het des te vreemder dat de reacties op een internetconsultatie van de Nederlandse overheid over dit onderwerp niet allemaal worden vrijgegeven. Webwereld achterhaalde via een WOB-procecdure een aantal kritische reacties die (nog steeds) niet op de site staan, terwijl daar wel toestemming voor was gegeven. De reacties gaan over de geheimzinnigheid rond het ACTA-overleg en over de eenzijdige insteek van het verdrag.

Bij de niet gepubliceerde, merendeels kritische reacties is er ook een van de FOBID, de federatie van bibliotheekorganisaties in Nederland. De FOBID vindt dat een eenzijdig op de belangen van auteursrechthebbenden gericht verdrag een bedreiging vormt voor de bibliotheken. In andere reacties lezen we "kritiek op de gevreesde schending van burgerrechten, de aanval op privacy, het aanpakken van onschuldigen en het ontbreken van bescherming als je onschuldig wordt gedaagd. Bovendien vreest men dat de entertainmentindustrie met het verdrag een blanco volmacht krijgt en dat het ineffectief zal blijken tegen piraterij. Een burger is vooral boos omdat de overheid namens de burgers een mandaat heeft en dan diezelfde burger niet in bescherming neemt." En dat alles in het geniep!

,

29 oktober 2010

Press Freedom Index 2010


De persvrijheid gaat achteruit in de Europese Unie en de landen daaromheen. In de Press Freedom Index 2010 van Reporters Sans Frontières zien we slechts 13 van de 27 EU-landen bij de top-20. Bovenaan staan ex aequo Finland, IJsland, Nederland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland, allemaal landen waarover geen schendingen van de persvrijheid zijn gemeld. In 2009 stond Nederland nog op de 7e plaats. Dat had onder meer te maken met beperkingen op het fotograferen van het Koninklijk Huis en de bronbescherming van journalisten (zie meer gedetailleerde informatie in de Nederlandse Persvrijheidsmonitor 2009).
Een groot aantal andere Europese landen doet het veel slechter en sommige zakken ook op de lijst in vergelijking met het vorige jaar. Opvallend is dat de zuidelijke helft veel slechter scoort dan het noorden. Dat geldt zowel voor het West- als voor Oost-Europa. Estland (9) en Litouwen (11) doen het goed. Tsjechië en Hongarije (gedeelde 23e plaats), Letland (30) en Polen (32) wat minder. Spanje (39), Portugal (40, flink gedaald) en Frankrijk (44, ook gedaald) doen het in verhouding slecht. Grote problemen hebben media en journalisten in Italië (49), Roemenië (52, gedaald), Bulgarije en Griekenland (gedeelde 70e plaats, een beetje resp. heel fors gedaald). De Centraal Afrikaanse Republiek doet het beter dan deze laatste twee. Ook de meeste aspirant-leden van de EU op de Balkan dalen op de lijst en zullen nog heel wat moeten rechtzetten voordat ze kunnen toetreden tot de EU. Kroatië is een uitzondering (van 78 naar 62).
Reporters sans Frontières constateert dat er alles bijeen weinig vooruitgang is in Europa. Als daar niets aan gedaan wordt, waarschuwt de journalistenorganisatie, verliest Europa zijn leidende positie op het gebied van mensenrechten en zijn gezag bij de beoordeling van veel repressievere regimes. Zoals China, Soedan, Iran, Birma en Noord-Korea die we al jaren onderaan de lijst tegenkomen.
Duidelijk is dat landen die in oorlog zijn of met hardnekkige binnenlandse conflicten te maken hebben het gevaarlijkst zijn voor journalisten. Afghanistan, Pakistan, Somalië, de Filippijnen, Mexico en Kirgizië scoren daarom niet hoog. Economische groei, vaak geassociëerd met meer vrijheidsrechten, is geen garantie, zoals blijkt uit de scores van de BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China. Tegenover een stijging van Brazilië staat een daling van India. Rusland staat ver onderaan op 140. En China houdt stand op 171 (van de 178).
De Index wordt samengesteld aan de hand van antwoorden op een vragenlijst. De vragen gaan over geweld tegen journalisten (van moord tot gevangenisstraf), eventuele wettelijke beperkingen van de pers (censuur, staatsmonopolie van de media), rechtszaken van de staat tegen journalisten, het in beslag nemen van persen, financiële druk, bedreigingen, en ook beperkingen van vrij internetverkeer.

,