11 maart 2006

Gedachten, woorden en daden van de Hofstadgroep


De Hofstadgroep is veroordeeld. De uitvoerige toelichting op de uitspraak biedt stof tot nadenken. Wat heeft de rechtbank nu precies bestraft? Een van de advocaten zei eerder al eens dat in dit proces gedachten werden aangeklaagd. Als je het oordeel van de rechter leest over het terroristische karakter van de groep leest is dit nog niet zo'n vreemde visie. "De conclusie moet dan ook zijn dat de leden van de groep zich met elkaar verbonden voelden door een gemeenschappelijke geloofsovertuiging, dat zij daarin systematisch werden geschoold en dat binnen de groep gestructureerde activiteiten plaatsvonden, die erop gericht waren elkaar in die overtuiging te versterken en de geesten rijp te maken voor deelneming aan de jihad." Voorbereiding van concrete geweldsdelicten kon niet worden bewezen. Maar alles wees er op dat zij uit zouden kunnen komen bij terroristische daden. De rechters hebben de toekomst voorspeld, zei strafrechtgeleerde Buruma vandaag in de NRC. Bestraft zijn mensen die er verkeerde gedachten op na houden en elkaar daarin versterken wat eventueel tot verkeerde daden kan leiden.
Bestraft zijn ook hun openbare uitingen. Daarvoor werd een beroep gedaan op de artikelen in de strafwet die opruiing en haat zaaien strafbaar stellen. De rechtbank verwijst dan naar teksten als:

"Het is inderdaad ons doel om met La Ilaha Illah Allah een revolutie op gang te zetten, die uw rotte democratische rechtsgang omverwerpt. (…) En bij deze doe ik inderdaad nog een oproep om de jeugd voor de Jihaad te rekruteren:

Wordt wakker, kijk om je heen ! De moslims worden afgeslacht en jij kan helemaal niks doen, omdat jijzelf aan het doodbloeden bent ! ... Geef gehoor aan de oproep van LA ILAHA ILLA ALLA. Sluit je aan bij de karavaan van de martelaren ... Rijst op en geef gehoor aan de roep van HAJJA AL JIHAAD (…)."

Verder noemt de rechtbank bedreigingen met de dood aan het adres van de kamerleden Hirsi Ali en Wilders en de verheerlijking van de moord op Theo van Gogh door een van de groepsleden Mohammed B.

Slechts drie van de 13 mensen die in dit proces terecht stonden zijn veroordeeld voor hun daden. De rest is bestraft voor wat men gezegd, geschreven of verspreid heeft en voor wat men met elkaar gedeeld heeft: de afkeer van de westerse maatschappij en de wens om hiertegen een heilige, gewelddadige oorlog te voeren.

Terreur voorkomen wil iedereen. Hoe ver de rechter voor dat doel inbreuk mag maken op de uitingsvrijheid staat voor mij nog lang niet vast. Concrete uitspraken (een oproep om een met name genoemd persoon te vermoorden) verschillen daarin wel van het belijden van een ideologie die zo'n daad zou kunnen rechtvaardigen. Er zijn genoeg ideologisch getinte groepjes aan te wijzen in de geschiedenis die geweld predikten zonder dat ze daarvoor veroordeeld werden. Ik ben het dan ook helemaal eens met Hirsi Ali vandaag in de Volkskrant: "De veroordeling van een lid van de Hofstadgroep voor het in bezit hebben en verspreiden van radicale ideeën, is een aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Een radicaal gedachtegoed moet niet via het strafrecht, maar in de ‘ideologische arena’ worden bestreden".


1 opmerking:

Astrid Essed zei

Geachte Redactie,

Ik heb, zeer tot mijn verbazing, geconstateerd dat een door mij op uw weblog geplaatste reactie door een geheel ander bericht, gedeeltelijk is vervangen

Aangezien ik mij grotendeels kon vinden in uw commentaar tav het vonnis inzake de zogenoemde Hofstadgroep heb ik de vrijheid genomen, een reactie te plaatsen

Ik zal bij dezen nogmaals een poging doen en spreek de hoop uit, dat een en ander ook mag blijven staan, zoals door mij gepost

Van wie het ook afkomstig is, ik acht het uiterst kinderachtig en onrespectvol, door de postings van anderen te schrijven

Voor alle zekerheid vermeld ik eveneens mijn e-mailadres, zodat u kunt zien, dat ik NIET als anonyma heb gepubliceerd

Bij dezen
Astrid Essed
Essed_24@hotmail.com

Vriendelijke groeten
Astrid Essed


Bij dezen dus een door mij gemaakte analyse van de Hofstadvonnissen

Onderstaand artikel is eveneens gepubliceerd in het juni-nummer van de Uitpers
www.uitpers.be

Zie het artikel:

Hofstadprocessen, rechtbankvonnissen of sancties op controversiele standpunten
door Astrid Essed

Artikel 19, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
''Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht
omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door
alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen,
te ontvangen en door te geven. ''

Inleiding:

Op 10 maart 2006 werd door de rechtbank Amsterdam de vonnissen tav de leden van de zogenoemde Hofstadgroep uitgesproken. Hierbij werden 5 mensen vrijgesproken, te weten Jermaine W. [broer van tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeelde Jason W], Nadir A., Rachid B., Mohamed El B. en Zakaria T. De andere 8 leden werden veroordeeld tot celstraffen, varierend van 1 tot 15 jaar
Opvallend aan deze vonnissen zijn twee belangrijke aspecten:
Ten eerste de bestempeling van de zogenoemde Hofstadorganisatie als terroristisch. Ten tweede het feit, dat 5 van de veroordeelden geen daadwerkelijke strafbare handelingen hebben verricht, maar zijn veroordeeld op grond van deelname aan een criminele en terroristische organisatie. Onder deelneming wordt verstaan ''deelnemende handelingen'', die in het vonnis zijn benoemd als het in bezit hebben van opruiende, haatzaaiende en bedreigende geschriften en de verspreiding daarvan.
Ik zal in onderstaande trachten aan te tonen, dat een dergelijke strafbaarstelling op zeer gespannen voet staat met het recht op vrijheid van meningsuiting, dat inderdaad beperkt kan worden, maar dan onder specifieke en welbepaalde rechtscondities, die mi echter in het onderhavige geval niet aan de orde zijn.

Verder zal ik eveneens aan de orde stellen, dat de door de rechtbank aldus geformuleerde definitie van opruiing in zulke brede termen gesteld is, dat in feite ieder verzet tegen de Overheid, dat beoogt een fundamentele verandering in het bestaande staatsbestel zoals bijvoorbeeld de door revolutionaire socialisten voorgestane sociaal-economische verandering van het kapitalistisch stelsel in een socialistisch model, strafbaar gesteld
kan worden. Het is evident, dat dergelijke geformuleerde rechtsopvattingen in extremis kunnen leiden tot een ernstige aantasting van de principes van de democratische rechtsstaat
Voor het verloop en de beoordeling van de procesvoering acht ik het echter eveneens van belang, aandacht besteden aan enkele aspecten van de door de rechtbank gebruikte onderzoeks- en bewijsmethodieken, die mi in een aantal opzichten op gespannen voet staan met de eerlijke procesvoering, in het bijzonder betreffende de rechten van de verdachten:

A De door de rechbank gehanteerde onderzoeks en bewijsmethodieken:

Artikel 10, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens:

''Een ieder heeft, in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem
ingestelde strafvervolging.


Artikel 11, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend. Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op grond van enige handeling of enig verzuim, welke naar nationaal of internationaal recht geen
strafrechtelijk vergrijp betekenden op het tijdstip, waarop de handeling of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. ''

Betreffende de handhaving van de principes van een eerlijk en onafhankelijk
proces:
Betreffende de in Nederland geldende rechtsprincipes dient opgemerkt te worden, dat er door deze rechtbank op correcte wijze gehoor is gegeven aan de bij een rechtszitting behorende juridisch-technische procedures zoals een pro-formazitting, opgevolgd door een inhoudelijke procesbehandeling.
Anderszijds is er mi wel degelijk, zowel tav de door de rechtbank gemaakte rechtsoverwegingen alsmede de gebruikte methodieken, sprake geweest van schendingen van enkele aspecten betr een eerlijk en onafhankeljk proces. Aangezien het te ver zou voeren, en detail een volledige opsomming te geven van alle hierboven genoemde aspecten, zal ik trachten , hieruit de mi belangijkste te lichten. Ook zal ik echter ingaan op een positief te noemen aspect uit het rechtbankvonnis, waaruit juist naleving van de principes van een eerlijk proces zal blijken [AIVD].

Het gebruik van omstreden getuigenverklaringen
Het gebruik van de betr chatgesprekken en gespreksfragmenten tav de
afgeluisterde woning in de Antheunisstraat

1 Het gebruik van omstreden getuigenverklaringen:

In tenminste twee gevallen is er sprake van geweest, dat de rechtbank het gebruik van omstreden verklaringen heeft aangemerkt als bewijs in het Hofstadproces, namelijk in het geval van het getuigenis van Malika C, ex-echtgenote van Nouredddhine El F, een van de verdachte en de heer Jamal B, die samen met de in februari wegens ''ronselpratkijken voor de Jihad'' veroordeelde Bilal L gedetineerd geweest is.
In de eerste plaats ben ik van mening, dat de rechtbank haar besluit tot gebruik van deze getuigenverklaringen niet op overtuigende wijze heeft onderbouwd. In de tweede plaats ben ik van mening, dat de rechtbank geen serieus gewicht heeft toegekend aan de intrekking van de getuigenverklaring van de heer Jamal B enerzijds en de weigering tot bevestiging van haar
getuigenverklaring van Malika C anderszijds.

I Mailka C:

Zoals reeds opgemerkt heeft Malika C, ex-echtgenote van ter zitting verdachte Noureddhine El F, die voornemens was, in het huwelijk te treden met een andere verdachte, Mohammed El M [later bij vonnis vrijgesproken door de rechtbank], dd 30-10-2005 een voor een aantal verdachten belastende verklaringen afgelegd. Toen haar echter gevraagd werd, ter zitting bij de rechter-commissaris dd 21-11-2005, deze verklaring te bevestigen, heeft zij geweigerd, maar haar verklaring niet ingetrokken. De rechter-commissaris beval daarna haar gijzeling
Ook echter ter zitting in de raadkamer dd 23-11 volhardde zij in stilzwijgen, hetgeen zij eveneens heeft herhaald ter zitting van het proces dd 5-12-2005, waarna uiteindelijk haar gijzeling werd opgeheven en zij werd vrijgelaten.

Volgens de officier van Justitie, de heer Plooy, een van de Openbare Aanklagers in het Hofstadproces, lag ten grondslag aan deze weigering een door Malika C in october ontvangen brief, waarin werd gerefereerd aan het feit, dat zij de ongelovigen heeft geholpen waardoor ze bij de ongelovigen is gaan horen. Zij wordt in de brief opgeroepen haar verklaring te wijzigen
of in te trekken. De brief eindigt met de woorden "Moge Allah jou leiden en anders jouw rug breken". Volgens de officier wijst een en ander op een bedreiging richting Malika, maar Malika C zelf heeft verklaard, in deze brief geen dreigbrief te zien, maar een aansporing ''terug te keren naar de wate Islam''

Argumentatie rechtbank:

Ondanks het feit, dat Malika C geweigerd heeft, haar verklaring te bevestigen, acht de rechtbank niettemin haar aanvankelijk afgelegde verklaring rechtsgeldig en wel om twee redenen. In de eerste plaats deelt de rechtbank de opvatting van het OM, dat hier sprake is van een dreigbrief en dat dat de reden zou zijn geweest, dat Malika C heeft geweigerd, haar eerder afgelegde verklaring te bevestigen. In de tweede plaats is de rechtbank van mening, dat haar getuigenis wordt bevestigd door enkele door verdachten afgelegde verklaringen tav zich tussen hen afgespeelde gebeurtenissen.

Belangenverstrengeling en religieuze opvattingen Malika C:

Ik ben echter van mening, dat er wel degelijk sprake is van een omstreden verklaring. In de eerste plaats is het evident, dat Mailka C geweigerd heeft haar verklaring te bevestigen ter zitting van zowel de rechter-commissaris, de raadkamer, alsmede tijdens het Hofstadproces
De hiervoor door het OM aangevoerde verklaring, dat hier sprake zou zijn van een dreigbrief, ontkent zij, aangezien zij, zoals reeds gezegd, deze heeft opgevat als aansporing, terug te keren naar de ''ware Islam''.
Hoewel het enerzijds hout snijdt, dat het OM, alsmede de rechtbank, van mening zijn, dat deze brief bedreigend zou zijn, acht ik het zeer wel mogelijk, dat Malika deze brief, die niet als dreigbrief, maar evenzeer als een bij de schrijver aanwezig religieus standpunt kan worden gezien, vanuit haar religieuze perspectief niet alleen in letterlijke zin heeft gelezen [dus als een eventueel haar boven het hoofd hangende straf van de Almachtige], maar evenzeer werkelijk van mening is, dat deze een waarschuwing is, terug te keren naar haar opvatting van de ware Islam.
Een ander argument, dat er eventueel geen sprake is van een dreigbrief in letterlijke zin, zou kunnen schuilen in het feit, dat Malika C niet op haar verklaring is teruggekomen, zoals in de brief werd gesuggereerd.
Ten tweede acht ik van groot belang het feit, dat Malika C niet alleen gehuwd is geweest met Noureddhine El F, een van de verdachten en later veroordeelden, maar evenzeer voornemens is geweest met een later vrijgesproken vermeend Hofstadlid, Mohammed El M, in het huwelijk te treden. Mogelijkerwijs hebben dergelijke relationele omstandigheden eveneens een rol gespeeld bij het afleggen van haar eerdere verklaring.
Ik ben dan ook van mening, dat de rechtbank dergelijke mi belangrijke feiten, die mogelijkerwijs bij haar geleid kunnen hebben tot belangenverstrengeling, had moeten meewegen in het al dan niet betrouwbaarheidsgehalte van de aanvankelijke verklaring van Malika C.

Nadrukkelijk wil ik stellen, noch van het waarheidsgehalte of van het gebrek daaraan overtuigd te zijn.. Wel ben ik echter van mening, dat juist vanwege het omstreden karakter
hiervan, zowel betreffende de weigering tot bevestiging als haar relationele aspecten tav de verdachten, de rechtbank het niet had moeten meewegen als bewijslast. Een en ander heeft mi de rechten van de verdachten geschaad

II Jamal B

Een tweede voorbeeld van een mi ten onrechte tot het bewijs toegelaten getuigenverklaring is de ter rechtzitting ingetrokken dd 17-12-2005 tav inspecteur Gietema [die belast is geweest met het onderzoek naar de moord op T van Gogh] door Jamal B afgelegde voor verdachten eventueel belastende verklaring van Jamal B.
Getuige voor het OM Jamal B was naar de rechtbank geroepen in verband met een af te leggen verklaring tav echte of vermeende mede-betrokkenheid cq voorkennis van terechtstaande leden van de zogenoemde Hofstadgroep bij de moord op T van Gogh dd 2-11-2004.

In een dd 17-12 tegenover genoemde inspecteur afgelegde verklaring stelde Jamal B, die tijdens zijn detentie in de Penitentiaire Inrichting Overmaze veel gesprekken had gevoerd met medegedetineerde Bilal L. [deze zou dd februari 2006 veroordeeld worden voor ''ronselingspraktijken voor de Jihad'']. Bilal L. zou hem benaderd hebben mee te doen aan een aanslag, maar ook verteld hebben dat hij Mohammed B. kende en dat hij bij de Hofstadgroep
hoorde. Eveneens zou Bilal L. aan Jamal B verteld hebben dat hij aan Mohammed B.
het moordwapen en de bij de moord gebruikte fiets had geleverd.
In de rechtszitting dd 14-1-2006 echter trok Jamal B deze verklaring weer in, die hij, tot hilariteit van zowel verdachten, journalisten, advocaten en enkele bezoekers bestempelde als een ''Broodje Aapverhaal''. Het spreekt voor zich, dat het OM minder gelukkig was met deze intrekking, die immers voor haar van groot belang was ter aantoning, niet alleen van het
vermeend-criminele karakter van de ''Hofstadgroep'', maar met name ook ter mogelijke aantoning van de medebetrokkenheid van leden van de zogenoemde Hofstadgroep bij de moord op van Gogh.
Hoewel de rechtbank uiteindelijk van mening was, dat de genoemde verklaring van Jamal B niet bewijsbaar genoeg was ter mogelijke bevestiging van medebetrokkenheid van leden van de zogenoemde Hofstadgroep, acht ik het kwalijk, dat zij deze getuigenverklaring wel de nodige bewijswaarde toekende.

Intrekking getuigenverklaring:

Volgens de Nederlandse en internationale rechtsprincipes wordt de intrekking van een getuigenverklaring doorgaans serieus meegewogen in de procesvoering. Uiteraard echter wordt nader onderzocht, of deze intrekking wel steekhoudend is, aangezien eventuele druk, bedreigingen en met name bij niet-democratische Overheden aanwezige eventuele marteling of intimidatie door de politie een rol zou kunnen spelen. In dat opzicht is het dan ook legitiem, dat de rechtbank de intrekking van deze verklaring afweegt tav het waarheidsgehalte van de eerder afgelegde getuigenverklaring
Ik zal in onderstaande echter trachten aan te tonen, dat de hiervoor door de rechtbank aangevoerde motiverende redenen niet alleen hogelijk speculatief zijn geweest, maar daarenboven het feit overeind blijft staan, dat juist door het gebrek aan feitelijke bewijsbaarheid, zowel ten voordele als ten nadele van deze getuigenverklaring, deze omstreden blijft en zodanig naar mijn mening niet had moeten worden toegelaten tot de bewijslast.

Inhoudelijke kant van de getuigenverklaring:

Alvorens in te gaan op de door de rechtbank aangegeven motiveringen, wil ik graag stilstaan deze door mij al dan niet plausibel geachte getuigenverklaring:
Zoals reeds aangegeven heeft volgens zeggen van Jamal B, medegedetineerde Bilal L aan getuige gevraagd, of hij wilde participeren in de voorbereiding van een aanslag. Eveneens zou hij verklaard hebben ''bij de Hofstadgroep te horen'' en zowel de fiets als het moordwapen te hebben geleverd aan Mohammed B.


Waarheidsgehalte:

Ik zet echter in hoge mate vraagtekens bij het waarheidsgehalte van de eerder door Jamal B afgelegde getuigenverklaring, niet zozeer vanwege zijn latere intrekking, maar vanwege het mi grote onwaarschijnlijkheidsgehalte. Weliswaar acht de rechtbank het waarschijnlijkheidsgehalte groot vanwege de overeenkomst tussen de door Jamal B afgelegde verklaring over Bilal L en de getuigenisssen van andere medegedetineerden tav Bilal in verband met zijn ''ronselpraktijken'', maar ik zie hierin een drogredenatie.
Er is namelijk een groot verschil tussen ''ronselpraktijken voor de Jihad'' [hetgeen, ook naar de opvattingen van de rechtbank, impliceert deelname aan de gewapende strijd in veelal het Midden-Oosten, Tsjetsjenië en Irak] en het plegen cq voorbereiding van een terroristische aanslag in Nederland. Bilal L is echter niet voor voorbereidingshandelingen tot het plegen van een aanslag veroordeeld, maar voor deze ''ronselpraktijken''
Daarnaast acht ik het, nog los van de verdere eventueel met Jamal B gevoerde gesprekken, uitermate onwaarschijnlijk, dat Bilal L zich tegenover een hem ve onbekende als Jamal B, zou hebben beschuldigd van medeplichtigheid aan een reeds gepleegd ernstig misdrijf als de moord op van Gogh. Ik acht het dan ook merkwaardig, dat de rechtbank dit mi belangrijke aspect niet bij haar afwegingen heeft opgenomen.

Argumentatie rechtbank:

Getuige Jamal L heeft op de vraag van de rechtbank, waarom hij dan een onware verklaring heeft afgelegd, verklaard, dat een en ander voortsproot uit het feit, dat hij en zijn familie bij voortduring door de politie werden ''lastiggevallen'' [wel 35 keer, zoals hij vermeldde ter rechtzitting] tot het afleggen van een belastende verklaring tav Bilal L.
Ik kan meegaan in het feit, dat de rechtbank dit niet erg waarschijnlijk acht, maar er kunnen andere, slechts aan Jamal L bekende, motieven geweest zijn, waarom hij tot een dergelijke verklaring is gekomenDeze zijn echter naar mijn mening door de rechter in onvoldoende mate
onderzocht.
Verder voert de rechtbank als reden voor de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring het feit aan, dat zijn aanvankelijk tegenover inspecteur Gietema afgelegde verklaring heeft plaatsgehad in een ''rustige en coherente sfeer'', terwijl hij ter rechtzitting dd 14-1-2006 onder grote spanning scheen te staan.
Hoewel een en ander inderdaad een indicatie kan zijn voor het waarheidsgehalte of liever gezegd gebrek daarvan, mbt de intrekking van de getuigenverklaring, acht ik dit als zodanig een speculatief en te weerleggen argument;


Immers, een dergelijke spanning kan mi evengoed zijn veroorzaakt door door Jamal B ervaren spijt over het afleggen van een mogelijk onware verklaring, die niet alleen in ernstige mate belastend zou zijn voor de heer Bilal L zelf, maar eveneens zou kunnen leiden naar een eventueel bewijs voor voorkennis cq medebetrokkenheid van de terechtstaande hoofstadverdachten bij de moord op T van Gogh.. Eveneens is het mi zeer wel mogelijk, in een ''rustige en coherente sfeer'' een valse verklaring tav een ander individu af te leggen
Niet alleen verwerp ik dus deze door de rechtbank aangevoerde argumentatie, eveneens verbaas ik mij over de mi kromme redeneertrant in dezen.

Bewijs:

Hoewel de rechtbank dus geloof hecht aan de door Jamal B afgelegde aanvankelijke getuigenverklaring, acht zij medebetrokkenheid van leden van de Hofstadgroep bij de moord op van Gogh niet bewezen, aangezien zij niet overtuigd is van het gehele waarheidsgehalte van de vermeende opmerkingen van Bilal L tav Jamal B. Ondanks deze conclusie acht iik het cruciaal, dat deze mi omstreden getuigenverklaring door de rechtbank niet had moeten worden toegelaten tot het bewijs.

Nog afgezien de procesresultaten, acht ik het op gespannen voet staan met de normeringen betreffende een eerlijk en onafhankelijk proces, dat de rechtbank bovenstaande omstreden getuigenverklaringen heeft toegelaten als bewijs.

2 Tav het gebruik van de door Jason W [veroordeeld tot 15 jaar
gevangenisstraf wegens poging tot meervoudige moord, vanwege het gooien van een handgranaat naar het voor hem en Ismail A komende arrestatieteam in de Antheunisstraat] in 2003 op Internet gevoerde chatgesprekken:

Artikel 7, EVRM:

''Geen straf zonder wet

'' 1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat
geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten
tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere
straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het
strafbare feit van toepassing was.
- 2. Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van
iemand, die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het
handelen of nalaten, een misdrijf was overeenkomstig de algemene
rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend. ''

Het gebruik van chatgesprekken als bewijslast in een proces:
Betreffende het gebruik van chatgesprekken in een proces, ter toevoeging aan de bewijslast, ben ik de mening toegedaan, dat dit een vrij dubieus karakter draagt
In de eerste plaats betreft het meestal fragmenten, waardoor het te bewijzen feit niet in de volledige context geplaatst kan worden. In de tweede plaats is de ernst van dergelijke gevoerde gesprekken veelal in mindere mate aanwezig, nog afgezien van het feit, dat zeker in verband met de door Jason W en andere leden van de zogenoemde Hofstadgroep gevoerde
chatgesprekken, een grote mate van stoerdoenerij, opschepperij en geuite mi terechte frustraties tegen de gevoerde Amerikaans-Europese politiek-militaire koers in met name het Midden-Oosten, Irak en Afghanistan, niet valt uit te sluiten.
In de derde plaats wil ik wijzen op het gevaar van computertechnische manipulatie met op Internet verschenen artikelen of bijdragen, die door daartoe deskundige mensen naar believen kunnen worden aangepast en veranderd. Met andere woorden: Mi is in dezen de bewijslast zeer discutabel.

Betreffende de chatgesprekken van Jason W:

Betreffende de bewijslast van de door Jason W dd 2003 gevoerde chatgesprekken is dan ook door zijn raadsman tijdens het proces betoogd, dat de door hem in 2003 gevoerde chatgesprekken als niet serieus dienen te worden opgevat. Hieraan toegevoegd heeft hij het feit, dat het OM reeds in 2003 van deze gesprekken op de hoogte was, maar deze zelf aan Jason W teruggegeven heeft en niet tot vervolging is overgegaan. Al evenmin heeft het Ministerie van Justitie in dezen nadere maatregelen genomen. O.a. op grond daarvan acht de raadsman de toelating van deze gesprekken tot het bewijs niet toelaatbaar

De rechtbank heeft dienaangaande anders beslist. Opvallend in dezen is, dat de rechtbank en de advocaten het eens zijn over het feit, dat vele chatgesprekken niet serieus dienen te worden opgevat. Afwijkend zijn zij echter in de interpretatie van een deel van de door Jason
W gevoerde chatgesprekken, die althans betreffende de door hem gemaakte opmerkingen betreffende trainingskampen en Jihad door de rechtbank wel degelijk serieus genomen zijn en als zodanig toegevoegd aan het bewijs.
Dienaangaande zou ik er de nogmaals op willen wijzen, dat de grens tussen een serieus gevoerd chatgesprek, ook wanneer het trainingskampen en door de rechtbank betitelde Jihad betreft, sowieso moeilijk te trekken is, wanneer er geen sprake is van in dit kader werkelijk geplande of voorgenomen te plannen activiteiten, die de rechtbank immers niet bewezen acht
Zo kunnen de door Jason W gemaakte opmerkingen over zijn echte of vermeende wapens zeer goed ressorteren onder het hoofdstuk stoerdoenerij , zoals reeds door mij opgemerkt.

Geen straf zonder wet:

Belangrijker echter acht ik het feit, dat het mi oneigenlijk is, in 2003 gevoerde chatgesprekken, ook al is er een fragment herhaald in de zogenaamde OVC-gesprekken, aan te voeren als bewijsmateriaal voor een dd november 2004 verrichte arrestatie, o.a. op grond van een eventueel voornemen tot of planning tot het plegen van terroristische aanslagen
[Toelichting: OVC gesprekken zijn de in de Antheunisstraat tussen Jason W, Ismail A en anderen door de AIVD afgeluisterde gesprekken].
Nog afgezien van de verstreken tijdsperiode acht ik het cruciaal, te vermelden, dat volgens de internationaal, Europese en Nederlandse rechtsregels, niemand vervolgd kan worden vervolgd voor misdrijven, waarvoor op het moment van de eventuele pleging daarvan geen strafbaarheidsmaatregel bestond.
Aangezien de door Jason W gemaakte al dan niet serieus genomen opmerkingen tav de Jihad in 2003 zijn geuit en dus voor de inwerkingtreding van de strafbaarstelling op werving voor de Jihad [ Wet op de Terroristische Misdrijven dd 10-8-2004] een feit was, dunkt mij dat althans betreffende de tav de Jihad gemaakte opmerkingen, dit uit 2003 verkregen bewijsmateriaal middels chatgesprekken, zeker niet in de bewijsstelling had dienen worden
meegenomen.

Het gebruik van de OVC gesprekken bij de bewijsvoering:

Hoewel ik van mening ben, dat de AIVD, die o.a. in haar taken en functiepakket heeft het doen van onderzoek naar organisaties en personen, die een bedreiging kunnen vormen voor de samenleving en nationale veiligheid,gerechtigd is middels de Wet WIV dd 2002 gerechtigd, een woning af te luisteren, plaats ik wel kanttekeningen bij het feit, dat de AIVD in dezen gespreksfragmenten aan het Openbaar Ministerie heeft verstrekt.

In de eerste plaats impliceert dit, dat de AIVD in dezen een voor de rechtbank oncontroleerbare selectie van de gehele gesprekkenreeks heeft gemaakt, hetgeen het gevaar van willekeur kan inhouden in ingevolge een schending van de rechten van de verdachten.
In de tweede plaats kan door deze selectie de gespreksopnamen uit hun context zijn gehaald, met alle voor de verdachten belastende aspecten van dien.
Ik acht het de rechtbank dan ook ernstig verwijtbaar, dat zij deze gespreksfragmenten, die wellicht niet representatief zijn voor de totaalinhoud van de gevoerde en afgeluisterde gesprekken, tot de bewijslast heeft toegelaten.

Het niet toelaten van bewijsmateriaal van de AIVD:


Wel dient nadrukkelijk gesteld te worden, dat de rechtbank betreffende het al dan niet toelaten, in het Hofstadproces, van door de AIVD aan te dragen bewijsmateriaal heeft gehandeld comform de beginselen van Nederlands en Europees recht, neergelegd in de jurisprudentie van EHRM [Europees Hof voor de Rechten van de Mens].
Daarin is namelijk vastgelegd, dat gezien de mogelijkheid van uitsluiting van de verdediging van kennisname van door de AIVD aangedragen bewijsmateriaal, deze beperking van de rechten van de verdachte dient te worden gecompenseerd door controle van de rechtbank
Ter controle van de betrouwbaarheid en waarheidsvinding van het betreffende bewijsmateriaal heeft de rechtbank vervolgens opgeroepen de heer van Hulst [hoofd AIVD], zijn plaatsvervanger, de heer Bot en de voormalige landelijk terreurofficier van justitie, de heer Klunder.
Aangezien echter de drie heren zich bij de rechter-commissaris zijn blijven beroepen op hun geheimhoudingsplicht, kon de betrouwbaarheid van het betreffende bewijsmateriaal niet door de rechtbank getoetst worden en is derhalve niet meegenomen als bewijsmateriaal

Hierin heeft de rechtbank naar mijn mening geheel gehandeld conform de beginselen van de Nederlandse, Europese en internationale rechtsregels .

B Strafbaarstelling gedachtegoed en verspreiding daarvan

Artikel 19, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

''Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven. ''

Hoewel zeker veel valt te zeggen over de door de rechtbank aangevoerde argumentatie tav de vonnissen beteffende de drie veroordeelden, vanwege geweldsdelicten [Jason W met als door de rechtbank aangemerkte medeplichtigheid van Ismail A] en strafbare feiten [Noureddhine El F, op grond van verboden wapenbezit], alsmede de strafhoogte hiervan, il ik mij in dezen met name richten op de veroordeling van die verdachten, die zich niet aan geweldsdelicten of strafbaar gestelde feiten hebben schuldig gemaakt, maar zijn veroordeeld op grond van de zogenoemde deelnemingshandelingen aan een criminele en een terroristische organisatie.

Anders gesteld komt dat neer op het in bezit hebben en verspreiden van opruiende, haarzaaiende en bedreigende geschriften

Alvorens hierop nader in te gaan, zal ik in het kort de ideologie van de door de rechtbank als Hofstad groep gekarakteriseerde groep verdachten, trachten naar voren te brengen:

Ideologie van de groep:

Kort gezegd komt deze hierop neer, dat er sprake is van een radicale richting binnen de Islam, gekenmerkt door een nauwe uitleg van het begrip tahweed. Tahweed (De eenheid van God) is een kernbegrip in het geloof van de meeste moslims. In de bij verdachten aangetroffen geschriften heeft het begrip volgens Islamdeskundige de deskundige Peters een specifieke betekenis. Centraal staat daarin dat men alleen gehoorzaamheid verschuldigd is aan God
en dat regeringen en rechters alleen gezag hebben als zij hun taak uitvoeren in overeenstemming met de goddelijke wet, de shari'a. Een staat die niet handelt conform deze goddelijke wetten, wordt als taghoet bestempeld .Degene, die de wetten van een dergelijke Staat gehoorzaamt en dus stelt boven de wetten van God, is geen ware moslim, ook al noemt hij zich zelf wel moslim, maar een ongelovige. Takfir is het tot ongelovige verklaren.

Het Gedachtegoed:

Zoals ik aanstonds zal toelichten, bestaat de door de groep verdachten beleden ideologie uit twee aspecten. De belangrijkste is het bovengenoemd gedachtegoed, dat echter betreffende
handelingen tav zogenoemde ''ongelovigen'' eveneens een geweldscomponent inhoudt, die evenzeer een politieke lading heeft. Hierop kom ik terug.

Betreffende het echter hierboven beschreven gedachtegoed is het van belang, te vermelden, dat met name het eerste aspect niet allen legitiem is, maar met name terug te vinden is in christelijke cq Joodse geloofsgemeenschappen en is terug te voeren op de aloude gestelde vraag, wat de gehoorzamen, wanneer de goddelijke en menselijke wetten met elkaar botsen.
O.a. heeft een en ander bij de Amerikaanse geloofsgemeenschap de Quakers geleid tot het verlenen aan hulp aan weggelopen slaven ondanks de in de 18 en eerste helft van de 19 eeuw in de toenmalige VS geldende slavenwetten.
Het tweede deel van de ideologie echter behoedt op zich geen gewelddadige kant te hebben [het tot ongelovige verklaren van een gelovige], maar is ook hier een kwestie van interpretatie. De wijze, waarop een en ander echter door de verdachten wordt geïnterpreteerd impliceert inderdaad de rechtvaardiging tot het doden van mensen, die volgens een dergelijke gedachtegang ongelovigen zijn.
Het is echter van groot belang, hierbij in het oog te houden, dat Islamdeskundige Peters gesteld heeft, dat ook het huldigen van een dergelijk gedachtegoed niet behoeft te impliceren, dat de betreffende aanhangers per definitie tot geweld over zouden gaan.
In ieder geval is een en ander tenminste ten aanzien van de vijf verdachten, die zijn veroordeeld vanwege deelnemingshandelingen aan een tot terroristisch verklaarde groep of organisatie, niet het geval

Over de drie wel veroordeelden [Jason W, Ismail A en Noureddhine El F, de laatste voor verboden wapenbezit en geen geweldshandeling] is het eveneens discutabel, of zij zich bij hun misdrijven in de eerste plaats hebben laten leiden door de door hen aangehangen ideologie, maar dat is hier niet aan de orde. De enige, van wie het vrijwel zeker is, dat hij zich door de ideologie heeft laten leiden is Mohammed B geweest, die dd 2-11-2004 T van Gogh om het leven heeft gebracht.


Het op een lijn stellen door de rechtbank van terrorisme en Jihad:

Opvallend is eveneens, dat in de door de rechtbank tav terrorisme aangelegde beoordelingscriteria voortdurend sprake is van het op een lijn stellen van terrorisme en de ''Jihad'' waarbij de rechtbank daarenboven geen sluitende definitie van haar opvatting van het begrip ''Jihad'' geeft.
Al lezende echter wordt het duidelijk, dat de rechtbank onder Jihad verstaat deelname aan de gewapende strijd, met name in het Midden-Oosten, Irak en Afghanistan, tegen de respectievelijke Israelische, Amerikaanse en Russische legers.
Nu is ingevolge de Nederlandse anti-terreurwetgeving dd 10-8-2004 de deelname aan de Jihad [gewapende strijd] strafbaar gesteld, alsmede ''werving voor de Jihad''.
Hoewel dus strafbaar, dient dit onderscheiden te worden van terrorisme, aangezien in de definitie van terrorisme de hoofdaspecten zijn de militaire aanvallen op burgers of burgerdoelen, die een willekeurig karakter dragen en tot doel hebben de Overheid of regering over te halen tot een verandering in politieke beleidslijn [bijv terugtrekking van de troepen uit Afghanistan]Secundair, maar niet minder belangrijk is eveneens het angst aanjagen onder
de bevolking.

Wel dient nadrukkelijk gesteld te worden, dat angstaanjagerij op zich geen terrorisme is, maar dat wel degelijk daarbij het oogmerk dient te zijn het doen overhalen van Overheden tot een andere politieke koers en uiteraard het plegen van aanslagen op burgers.

De genoemde Jihad echter, tenminste als de intentie is het vechten tegen het leger van de respectievelijke landen, die tevens bezettingsmacht zijn, is genendele terroristisch van karakter, tenzij het verzet tegen deze bezettingsmachten de vorm aanneemt van het plegen van aanslagen tegen burgers.

Echter, ondanks het internationaalrechtelijk-gelegitimeerde karakter van een militaire strijd tegen een bezettingsleger, is het voor Nederlandse burgers [ook voor de anti-terreurwetgeving] niet toegestaan, zonder toestemming van de Koning of Koningin ''in buitenlandse krijgsdienst'' [en daaronder wordt ook verstaan militaire verzetsorganisaties] te treden.

Echter, door het voortdurende gebruik, door elkaar, van de begrippen terrorisme en Jihad door de rechtbank, wordt de indruk gewekt, dat al het door verdachten in bezit zijnde schriftelijk, beeld en geluidsmateriaal op zich terroristische componenten zou hebben, hetgeen niet het geval is.

Wel is een dergelijke door de rechtbank betrachte vaagheid der begrippen uitermate tendentieus, aangezien zo de indruk wordt gewekt, dat alle door verdachten geuite intenties en gepleegde geweldsdaden, evenals de ideologie, onverbloemd terroristisch zou zijn, hetgeen niet het geval is. Ik acht een en ander des te kwalijker, aangezien het eveneens in de
vonnisbeoordeling terugkomt.
Weliswaar is geen van de verdachten veroordeeld vanwege planning cq voorbereidingshandelingen mbt een terroristische aanslag, maar wordt wel de verspreiding van de betreffende geschriften, alsmede het in bezit hebben daarvan, als terroristisch aangemerkt.


Opruiing:

De 5 verdachten, die zich niet schuldig gemaakt hebben aan geweldsdelicten, zijn zoals reeds opgemerkt, veroordeeld op grond van deelname aan een terroristische en criminele organisatie, hetgeen impliceert het in bezit hebben en verspreiden van opruiende, haatzaaiende en bedreigende geschriften cq geluid en beeldmateriaal.
In dit verband acht ik het interessant, het door de rechtbank aangevoerde juridische kader betr opruiiing eens nader te belichten. Meelezend met het rechtbankvonnis staat er het volgende

Ik citeer

''162. Opruien is het ophitsen, opstoken, aanzetten tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen de overheid. Daarbij doet het er niet toe tot welk concreet strafbaar feit wordt opgeruid. Voorts is ook niet vereist dat de opruiing het strafbare feit daadwerkelijk bewerkstelligt. Het gevaar dat een en ander zal kunnen plaatsvinden volstaat. Ook als het gevaar voor de verwezenlijking van die gedragingen zelfs niet in beeld is gekomen,
treedt strafbaarheid in. ''

Echter, in ruimere zin dan dit rechtbankvonnis geïnterpreteerd kan een dergelijke definitie betrekking hebben op iedere sociaal-maatschappelijke beweging, die kritisch tegenover de Overheid staat In die zin kunnen evengoed de recentelijk door de anarchistische kraakbeweging opgehangen spandoeken tegen minister Verdonk, vanwege haar hoofdverantwoordelijkheid voor de Schipholbrand, onder ''opruiing'' geworden gerekend

Eveneens is in dit verband interessant een gedeeltelijk citaat uit het rechtbankvonnis ''189. De wetgever heeft ten aanzien van bedreiging wel bepaald dat dit een terroristisch misdrijf kan opleveren, namelijk indien wordt bedreigd met een terroristisch misdrijf, zoals in artikel 285 lid 3 Sr strafbaar is gesteld. In diverse bij de leden van de groep aangetroffen geschriften, waarvan enkele zouist zijn geciteerd, wordt duidelijk te verstaan gegeven dat een
gewelddadige revolutie zal worden teweeggebracht, gericht op het omverwerpen
van de democratische rechtsorde.''

Het is evident, dat, dit lezende, dergelijke door de rechtbank gebezigde kwalificaties van toepassing kunnen worden gebracht op iedere sociaal-maatschappelijke en politieke groepering in Nederland, die een politiek-economische verandering van het bestaande bestel nastreeft. Een voorbeeld zijn socialistisch-revolutionnaire organisaties, zoals bijvoorbeeld de Internationale Socialsten en andere links-revolutionnaire groeperingen.

Uitdrukkelijk wordt er immers in dit vonnis door de rechtbank namelijk herhaaldelijk gesteld, dat voor geen deze strafbaarheid geen geweldsdaad gepleegd dient te zijn of een voornemen daartoe. Slechts het verspreiden van geschriften, die ''opruiend'' of ''haatzaaiend'' zijn, volstaan in dezen al.

Het gevaar voor een steeds groter wordende opschorting van het recht op vrijheid van meningsuiting, alsmede operationele speelruimte voor het opzetten van niet-gewelddadige acties, is groot.


Tav haatzaaierij:

Artikel 137,d

Bij haar veroordeling van de bovengenoemde geschriften beroept de rechtbank zich o.a. op artikel 137, d, dat haatzaaierij strafbaar stelt Laat ik vooropstellen, dat uiteraard het zaaien van haat zeer verwerpelijk is en aan banden gelegd dient te worden.
Er is echter voor de strafbaarstelling niet alleen vereist, dat haat wordt gezaaid, maar eveneens moeten hiervoor volgens internationale rechtsregels, concrete gebeurtenissen aanleiding zijn
Zo kon van haatzaaierij sprake zijn, toen na na de moord op van Gogh plaatsvindende systematische brandstichtingen in moskeen en islamitische scholen, een aantal gearresteerde jongeren verklaarden, hun denkbeelden en op grond daarvan geinspireerde gewelddaden, van de extreem-rechtse websites, afkomstig waren.
Hiervan is echter in verband met deze verdachte geen sprake geweest.
Verder verliest de rechtbank uit het oog, dat dit wetsartikel geen betrekking heeft op terrorisme, maar discriminatie jegens een bevolkingsgroep op grond van ras, nationaliteit, afkomst of religie, waarvan hier evenmin sprake is.

Bedreigingen:

Het is evident, dat het in hoge mate laakbaar is, een individu of een politicus te bedreigen.
Wil er echter van bedreiging sprake zijn, dient de betreffende bedreiging duidelijk aan de persoon in kwestie gericht te zijn, hetzij moet aantoonbaar zijn, dat de persoon in kwestie hiervan ook daadwerkelijk kennisgenomen heeft. Eveneens dient er geen sprake te zijn van een geuite wens, maar een in concrete taal gestelde verklaring, dat men voornemens is, de ander daadwerkelijk kwaad te doen.
Bij nadere lezing echter van een aantal door de rechtbank in vonnis gepubliceerde geschriften blijkt zeker het laakbare van een dergelijke bedreiging, maar is van een serieuze, daadwerkelijke gerichtheid op de specifieke persoon, geen sprake, hetgeen uiteraard niet impliceert dat dergelijke uitlatingen ongevaarlijk behoeven te zijn.

Geschriften ''met een terroristisch oogmerk''

Zoals reeds opgemerkt heeft de rechtbank pogingen tot cq voorbereidingshandelingen met een terroristisch oogmerk niet bewezen geacht. Het enige punt, waarop zij van mening is, dat hier sprake is van het verspreiden van geschriften ''met een terroristisch oogmerk'' is, dat een en ander delen van de Nederlandse bevolking angst zou kunnen aanjagen.
In de eerste plaats dient hierbij opgemerkt te worden, dat een oogmerk slechts een feit is, wanneer er, naast de angstaanjagerij, eveneens de cruciale elementen zoals het bij de Overheid willen bereiken van een politiek doel en een daadwerkelijke poging of dreiging met het plegen van aanslagen op burgers, aanwezig zijn.
Zoals het hier is geformuleerd lijkt het er veel op, dat de rechtbank ''via een achterdeur'' tot een veroordeling wenste te komen, zoals is opgemerkt in een analyse van de Volkskrant dd 11-3.

Vrijheid van meningsuiting:

Uit bovenstaande mag blijken, dat het mi onacceptabel is om verdachten te veroordelen op grond van het inbezit hebben en verspreiden van ''extreme'' geschriften, zonder dat zij of anderen, hiertoe aangezet, zich hebben schuldig gemaakt aan geweldsdaden. Een en ander is in strijd met de vrijheid van meningsuiting, als neergelegd in de Nederlandse, Europese en internationale wetgeving.
Uiteraard is het evident, dat vrijheid van meningsuiting niet in dient te houden vrijheid van belediging of bedreiging, maar dan dient er ook sprake te zijn van concrete bedreigingen en geen uitingen van frustraties op enkele in beperkte kring bekende websites.. Eveneens kan bij belediging worden overgegaan tot een boete of een verspreidingsverbod van bepaalde geschriften.. Echter, het detineren van mensen, die, hoe verwerpelijk soms ook, op vreedzame wijze zijn uitgekomen voor hun mening [hoe verwerpelijk deze in sommige gevallen ook mag zijn], is niet alleen ten enenmale onacceptabel, maar houdt eveneens een ernstige bedreiging in voor de geldende rechtsprincipes.
Of er nu sprake is van een door extreem-links, moslim-radicalen of extreem-rechts geuite mening, detentie hiervoor is een maatregel, die niet inherent is aan een rechtsstaat, maar aan niet-democratische staatsmodellen. Dienaangaande heeft dit rechtbankvonnis de Nederlandse rechtsstaat een
slechte dienst bewezen

(Uitpers, nr. 76, 7de jg, juni 2006)


Bronmateriaal:

Rechtbankvonnis:

http://www.rechtspraak.nl/Gerechten/Rechtbanken/s-Gravenhage/Actualiteiten/Rechtbank+heeft+uitspraak+gedaan+in+zaken+verdachten+Hofstadgroep.htm

Gebruik van omstreden verklaringen als bewijs:
Zie
http://www.volkskrant.nl/binnenland/article244353.ece

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
Zie
http://www.unhchr.ch/udhr/lang/dut.htm

EVRM [Europees Verdrag van de Rechten van de Mens]
Zie
http://users.skynet.be/historia/EVRM.htm

http://www.nos.nl/nosjournaal/dossiers/terreurinnederland/061205tijdlijnproceshofstadgroep.html

http://www.trouw.nl/deverdieping/dossiers/article133597.ece/Hofstadproces+%2F+Terroristen+of+gewoon+wat+moslims++

http://www.volkskrant.nl/binnenland/article244360.ece