10 februari 2019

Boodschap of boodschapper?

Wat weegt het zwaarst bij de beoordeling van een bericht of opinie? De inhoud of de identiteit van de bron of de auteur? Ik kan niet ontkennen dat ik bij de dagelijkse consumptie van wat er in print en op het internet verschijnt ook kijk naar de bron. Ik vind het ook moeilijk om bijdragen serieus te nemen van mensen die ik eerder alleen maar onzin heb horen verkondigen of die expliciete standpunten verkondigen die mijlenver van de mijne liggen. Ik laat GeenStijl, De Telegraaf, DDS en TPO ook doorgaans rechts liggen. Maar dat wil niet nog niet zeggen dat ik het uitsluit om kennis te nemen van wat deze media publiceren of dat ik vind dat iedereen ze moet boycotten vanwege wat daar te lezen valt. Datzelfde geldt voor auteurs. Je kunt van mening zijn dat een bepaalde auteur een fout standpunt heeft, het volledig uitsluiten van die auteur van het publieke debat is in strijd met de principes van het vrije politieke debat in een democratie. En zelfs als er sprake zou zijn van het overtreden van de wet (racisme, smaad, bedreiging met geweld) is het aan de rechter om dit vast te stellen en een straf te bepalen voor die bepaalde uiting. Waarmee dus niet gezegd is dat die persoon altijd en in alles wat hij of zij schrijft of zegt fout is. 'Als een fascist ademt liegt ie', zei men vroeger in anti-fascistische kringen. Ik begrijp waar het vandaan komt, maar ik zie deze leuze toch liever als een boud geformuleerd politiek standpunt dan als een oproep om het naar de letter te nemen.

In het verharde debatklimaat waarin we, mede dankzij de nieuwe media, nu verzeild zijn geraakt wordt de oproep tot verbanning en uitsluiting van personen en media steeds vaker gehoord. Als het gaat om openlijke sabotage van een debat door zogenaamde trollen kan ik daar wel begrip voor hebben. Maar ik zie ook aanvallen op personen, bronnen en media als het gemakkelijkste alternatief voor de inhoudelijke bestrijding van foute, onvolledige of verdraaide standpunten. Boodschappers zijn fout, dus hun boodschap moeten we volledig negeren. Of beter nog: voorkom dat hun boodschap überhaupt wordt verpreid.

Op Sargasso ben ik als auteur nu een paar maal geconfronteerd met een dergelijk standpunt. Onlangs was dat naar aanleiding van een link naar een bericht over de rol en betekenis van het Chinese bedrijf Huawei in de Chinees-Amerikaanse handelsoorlog. Het feit dat dit bericht op een site verscheen die volgens sommige reaguurders niet deugt was aanleiding om de inhoud van het bericht volledig te negeren. Met de link naar deze website zou ik fout, zelfs neo-nazistisch gedachtegoed verspreiden, ondanks dat daarvan in het artikel geen spoor te vinden was. De bron was fout, het artikel was dus fout en ik was dus ook fout. Naast de ergernis over het simplisme dat er uit spreekt vind ik het verontrustend dat die fixatie op 'foute' personen of bronnen het publieke debat gaat overheersen ten koste van een zakelijke uitwisseling van informatie, standpunten en argumenten. Ik heb daar om een drietal redenen grote moeite mee.

29 januari 2019

Misbruik van het staatsgeheim

Strooide minister Stef Blok te makkelijk met het label staatsgeheim om lastige vragen te omzeilen? vraagt Trouw vandaag naar aanleiding van een Kamerdebat waarin het parlement opheldering wil over de levering door Nederland van 'non-letal' goederen aan Syrische rebellen. Blok beroept zich herhaaldelijk op het staatsgeheime karakter van het hulpprogramma, schrijft de krant, waardoor hij in het openbaar geen antwoorden kan geven. Dat zou mensenlevens op het spel zetten. Bovendien waren er inlichtingendiensten en bondgenoten betrokken bij de steun. Beiden zegt hij niet in de schijnwerpers te kunnen zetten. Daarmee bezorgt hij het parlement in zijn controlerende functie een probleem. Kern van de verhouding tussen regering en parlement in een democratie is dat de eerste zich verantwoordt tegenover de laatste. Zodat wij als burgers weten waar we aan toe zijn en ons standpunt kunnen bepalen als we onze stem weer eens mogen uitbrengen. 

Staatsgeheimen passen slecht in een democratie. Openheid is een voorwaarde voor democratische besluitvorming. Geheimhouding van staatszaken voor volksvertegenwoordigers is een hardnekkig restant van ouderwetse, autoritaire opvattingen over de verhouding tussen staat en burgers. Tot halverwege de vorige eeuw was het heel gewoon dat de staat bij voorkeur zo weinig mogelijk openbaarde. Alleen als het moest. Aandrang van volksvertegenwoordigers of journalisten kon zonder grote problemen worden gepareerd. Sinds de democratiseringsbeweging uit de jaren zestig en zeventig is openheid een vanzelfsprekende vereiste voor alle vormen van bestuur. De praktijk blijkt echter weerbarstig als we kijken naar de geschiedenis van de wetgeving over openbaarheid van bestuur. Of naar de afloop van tal van gevoelige politieke thema's, niet zelden gelieerd aan oorlogsvoering, waarbij de openheid moest komen van onderzoeksjournalisten die bewinsdslieden al dan niet met een beroep op staatsgeheimen in de problemen brachten (zie onder meer hier, hier en hier)

10 januari 2019

Ophef over Nashville-verklaring

Streng christelijke gelovigen hebben moeite met homoseksualiteit en transgenders. Dat is niet zo verbazingwekkend. Het gaat om conservatieve mensen die leven volgens door god gegeven onveranderlijke bijbelse normen. En die normen worden in hun gemeenschap streng bewaakt door dominees, ouderlingen en opvoeders. Het is een tamelijk naïeve gedachte dat men in deze kringen gemakkelijk 'met de tijd meegaat.' Veel meer voor de hand ligt het dat men zich tegen moderne ideeën die niet in het bijbelse gedachtegoed passen verzet. En hoe verder die moderne ideeen gaan, hoe harder dat verzet zal zijn.
De oorspronkelijk Amerikaanse Nashville-verklaring over seksualiteit, huwelijk en gezin is bedoeld om de gelovigen op het rechte pad te houden. De verklaring maakt duidelijk dat erin de opvatting van de ondertekenaars slechts twee soorten mensen zijn: mannen en vrouwen. Dat alleen een man en een vrouw een verbintenis kunnen aangaan. En dat seksuele relaties tussen twee personen van hetzelfde geslacht en verandering van geslacht uit den boze zijn. Dit alles omdat god de wereld zo geschapen heeft en de mens zich daaraan moet conformeren.

Wie dergelijke opvattingen binnen een van de talrijke streng orthodox christelijke kerkgenootschappen laat horen zal weinig tegenspraak krijgen. Maar nu is de Nashville-verklaring in de openbaarheid gekomen en onderdeel geworden van het maatschappelijk debat. De ophef in de media is niet gering. Tegen SGP-voorman Kees van der Staaij, die ook onder de verklaring staat, is aangifte gedaan en het OM heeft aangekondigd de mogelijke strafbaarheid ervan te onderzoeken. Het gaat dan vermoedelijk vooral om de passage waarin expliciet wordt gesteld dat gelovigen homoseksualiteit en transgenderisme niet mogen goedkeuren:

Artikel 10
WIJ BEVESTIGEN dat het zondig is om homoseksuele onreinheid of transgenderisme goed te keuren. Wie deze wel goedkeurt wijkt fundamenteel af van de standvastigheid die van christenen verwacht mag worden en van het getuigenis waartoe zij geroepen zijn
WIJ ONTKENNEN dat de goedkeuring van homoseksuele onreinheid of transgenderisme een moreel neutrale zaak is, waarover getrouwe christenen onderling van mening mogen verschillen.



22 december 2018

Ministerie van VWS beperkt openbaarheid om relaties met de industrie niet te schaden

Voor een onderzoek naar medische hulpmiddelen zijn op initiatief van het dagblad Trouw en het consumentenprogramma Radar wereldwijd 1500 verzoeken gedaan aan overheden om documenten openbaar te maken. De Implant files laten zien dat er sprake is van slecht toezicht en gebrekkige uitwisseling van gegevens tussen landen. Ook is inmiddels duidelijk dat de informatie bij de toezichthouders niet eenvoudig is op te vragen. Maar het meest kwalijk is nog dat de overheid zelf veel informatie achterhoudt om de relaties met de industrie niet te verstoren.

Veel documenten die in een WOB-verzoek zijn opgevraagd krijgen de journalisten gewoon niet te zien. Als reden wordt opgegeven dat de relatie tussen de inspectie en de fabrikanten van medische hulpmiddelen door het openbaar maken van medische gegevens ‘onevenredig zal worden beschadigd’. In de documenten die na anderhalf jaar uiteindelijk wel zijn geleverd zijn grote delen onleesbaar gemaakt door juristen van VWS. 'Zoals informatie van de fabrikant over mankementen aan medische hulpmiddelen en reacties van fabrikanten op incidenten met implantaten. Gegevens over problemen rond implantaten zijn stelselmatig door het ministerie weggelakt. Alleen in enkele gevallen, met een goede afloop voor de patiënt, werd meer informatie vrijgegeven.'


14 december 2018

Veel Nederlanders hebben moeite met de vrijheid van meningsuiting

Het College voor de Rechten van de Mens heeft onderzocht wat Nederlanders vinden van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om in het openbaar te demonstreren. Over het algemeen vinden mensen wel dat iedereen vrij moet zijn om zijn of haar mening te kunnen uiten. Maar dat de steun voor deze vrijheidsrechten afhankelijk wordt gemaakt van de vorm en inhoud van de uiting duidt er op dat de betekenis van deze rechten nog steeds niet goed is doorgedrongen.

Een nadere beschouwing van de onderzoeksresultaten levert geen opwekkend beeld op. Een opvallend resultaat betreft het negatieve oordeel over de uitingsvrijheid op sociale media. Minder dan  een kwart van de respondenten vindt dat je op sociale media moet kunnen zeggen wat je wilt. De vraagstelling, geven de onderzoekers in een noot toe, is niet geheel duidelijk. De wet stelt immers grenzen aan uitingen. Dus de stelling 'Iedereen moet vrij zijn om te zeggen wat hij wil' moet op voorhand worden gerelativeerd. Het is onduidelijk of alle respondenten zich dit hebben gerealiseerd. Dat de context van de sociale media tot een meer uitgesproken oordeel over deze stelling leidt valt wel op. Het heeft vermoedelijk veel te maken met de vele voorbeelden van het overschrijden van fatsoensgrenzen, grof taalgebruik, vreemdelingenhaat en racisme die de laatste jaren breed zijn uitgemeten.

27 november 2018

Over vrijheid en democratie

De oproep van VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff om demonstraties bij de intocht van Sinterklaas te verbieden is al door velen van de hand gewezen op zowel politieke als juridische gronden. Doorslaggevende kritiek op dit misplaatste populistische proefballonnetje: zo buig je in de praktijk voor de gewelddadige en racistische hooligans die in Eindhoven en elders voor overlast hebben gezorgd.

De partij voor vrijheid en democratie heeft het wel vaker moeilijk om de waarden waar zij voor zegt te staan in de praktijk te brengen. Dat bleek onlangs ook weer in de Amsterdamse Gemeenteraad waar VVD-raadslid Marianne Poot met haar CDA collega Boomsma vragen stelde over een anti-Israël demonstratie. De raadsleden stoorden zich met name aan het afspelen van een lied van rapper Ismo over een terroristische aanslag in Tel Aviv. Ismo is eerder veroordeeld voor haatzaaien tegen joden en homo's. Niet zo'n gelukkige keuze dus van de de organisatoren van de demonstratie op de Dam op 4 november. Maar de vraag aan het college van B&W wat ze van de tekst vonden die daar ten gehore werd gebracht is natuurlijk aan de verkeerde partij gericht. Als zij menen dat Ismo met dit lied over de schreef gaat moeten zij een aanklacht indienen bij het OM.

De vragen van Poot en Boomsma gaan verder dan het reageren op een incident. Hun vervolgvragen:  'Is de burgemeester het met de indieners eens dat de vrijheid van demonstratie niet betekent dat er geen enkele grens te stellen is aan de frequentie van de aanwezigheid van één specifieke demonstratie op de Dam?' En dan ook nog: 'Is de burgemeester bereid te overwegen om het aantal demonstraties van éénzelfde organisatie hier te maximeren tot een beperkt aantal per jaar, en voor zover daar nog meer behoefte aan is daartoe dan een andere plek in de stad aan te wijzen?'

Kortom: is B&W bereid de anti-Israël demonstratie van de Dam te verwijderen?

11 november 2018

Onbegrip over de vrijheid van meningsuiting

Het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting is een van de meest bekende burgerrechten. Te pas en te onpas wordt het gebruikt als argument in allerlei maatschappelijke debatten. Ondanks het universele karakter van het recht staat de uitingsvrijheid bovenaan in het rijtje 'Nederlandse' waarden die we hoog moeten houden. Maar er heerst nog veel onbegrip over waar het bij dit grondrecht nu werkelijk om draait.

Twee weken geleden schreef ik over de medewerkers en studenten van de Universiteit van Amsterdam die een Canadese professor onder curatele wilden stellen. Met hun onhandige open brief miskenden ze de wederkerigheid van de uitingsvrijheid: ik tolereer uitingen ondanks de afkeer die ik voel en reken er op dat aan mij ook de ruimte gegund wordt om mijn standpunten naar buiten te brengen. En alleen de rechter bepaalt de grenzen.

Tolerantie was ook ver te zoeken bij de Friezen die vorig jaar de A7 blokkeerden om demonstranten tegen Zwarte Piet te verhinderen hun protest bij de intocht van Sinterklaas in Dokkum te laten horen. De 'blokkeerfriezen' kregen deze week taakstraffen opgelegd van 80 tot 240 uur. De rechtbank: 'Het recht om te demonstreren is een grondrecht. Verdachten hebben het recht echter in eigen hand genomen. Eigenrichting kan in een democratische rechtsstaat niet worden getolereerd.' Een van de actievoerders: 'Als ze een straf opleggen is het om die linkse ratten in Den Haag tevreden te stellen.'

Ook de koepel van Turkse moskeeën TCIF die een twitterverbod voor Geert Wilders heeft aangevraagd toont geen begrip voor het wezen van het grondrecht op vrijheid van meningsuiting.