30 maart 2021

Fatwa


Meer dan dertig jaar geleden, in 1989, sprak de Iraanse ayatollah Khomeiny een 'fatwa' uit over de Britse schrijver Salman Rushdie. Zijn boek De Duivelsverzen had de toorn opgewekt van hoge islamtische geestelijken. Rushdie werd met de dood bedreigd, ontsnapte ternauwernood aan een bomaanslag en moest tien jaar onderduiken. En ook daarna was hij zijn leven niet zeker. 

De Nederlandse schrijfster van Turkse afkomst Lale Gul is nu met de dood bedreigd door vrome moslims die haar kwalijk nemen dat zij in haar boek 'Ik ga leven' over haar opvoeding in een streng-orthodoxe familie heeft geschreven. Ze heeft de banden met haar familie verbroken en verblijft op een geheime locatie. 

In een interview in Buitenhof kondigde zij aan dat ze niet meer over religieuze aangelegenheden zal schrijven. Ondanks alle positieve reacties die ze op haar boek heeft gehad. De bedreigingen komen volgens haar van een kleine minderheid. 'Ik wil het lot niet tarten', zei ze, ' je staat er toch alleen voor als je dat wel doet.' Een schrijnende opmerking gezien de reactie van de politie op alle bedreigingen. Nadat ze een aantal keren aangifte heeft gedaan kreeg ze te horen dat het waarschijnlijk niet gaat lukken om te achterhalen wie er daaraan schuldig zijn. Wat betekent dat? Geeft de politie haar op? In een online manifest spreekt een dertigtal journalisten, schrijvers en politici zijn steun uit voor de jonge schrijfster. Ook Mark Rutte tekende de verklaring vlak voor de verkiezingen. Maar wat betekent dat als de politie er van afziet om de criminelen op te sporen? 

Het lot van Lale Gul ligt anders dan bij Rushdie niet in handen van conservatieve ayatollahs. Maar haar situatie is vergelijkbaar. Na dertig jaar zijn er geen ayatollahs meer nodig om een fatwa uit te spreken. Hun rol is overgenomen door de sociale media die haatdragende boodschappen eenvoudig vermenigvuldigen en verspreiden. Het kostte de Franse geschiedenisleraar Samuel Patty zijn leven nadat de vader van een leerling hem op sociale media had bedreigd omdat hij cartoons van de profeet Mohammed had getoond. Dat bleek de prikkel voor een geradicaliseerde Tsjetsjeense moslim om Patty te onthoofden.  

Het is te hopen voor Lale Gul en alle andere schrijvers in Nederland die bedreigd worden door geradicaliseerde godsdienstwaanzinnigen dat er bij de ondertekenaars van het manifest ook verantwoordelijke bestuurders zitten die echt werk gaan maken van de bescherming van de schrijfster en de opsporing van de misdadigers. 

17 maart 2021

Links of rechts?


Het grondrecht op vrijheid van meningsuiting heb ik in het spectrum van politieke standpunten altijd meer links dan rechts geplaatst. Het is een recht dat burgers de vrijheid geeft zich te verzetten tegen de almacht van de staat, tegen de macht in het algemeen. Het recht is van grote betekenis voor emancipatiebewegingen die zonder belemmering voor hun belangen moeten kunnen opkomen. De arbeidersbeweging, de vrouwenemancipatiebeweging, de Black Lives Matter beweging en andere bewegingen voor een beter leven en meer gelijke rechten konden en kunnen dat alleen doen als ze de vrijheid hebben zich te uiten over bestaand onrecht. 

Claim van rechts

De afgelopen jaren wordt de uitingsvrijheid steeds meer geclaimd door rechts. Het meest bekende voorbeeld is Geert Wilders die vindt dat zijn recht op een vrije meningsuiting is aangetast door de - gegeven de strafwet onoverkomelijke- vervolging vanwege zijn 'Minder, minder Marokkanen...'- uitspraak. Veel schrijvers, politici en opiniemakers aan de rechterkant van het politieke spectrum vinden het moeilijk te verdragen dat zij worden aangesproken op hun xenofobe, racistische of seksistische uitspraken. 'Je mag tegenwoordig ook niets meer zeggen.' Een uitspraak die in de meeste gevallen nergens op slaat. Vuile woorden leiden hoogstens tot verontwaardigde reacties. Maar daar zit kennelijk het probleem: een weerwoord is voor sommigen moeilijk te verteren. Van vervolging is alleen in uitzonderlijke gevallen sprake als er een vermoeden is dat de wet wordt overtreden. De strafwet stelt namelijk wel enkele beperkingen aan de uitingsvrijheid, maar ik heb niet de indruk dat de rechter daar nou overdreven veelvuldig gebruik van maakt om mensen de mond te snoeren. En als dat gebeurt wordt altijd de nodige zorgvuldigheid betracht door rekening te houden met alle omstandigheden. 

28 februari 2021

Heibel over Herstel NL


Onder de titel: Heibel onder professoren. Mogen economen in crisistijd nog wel zeggen wat ze vinden? publiceerde het FD gisteren reacties van economen op het besluit van hun collega's Barbara Baarsma, Coen Teulings en Bas Jacobs om zich terug te trekken uit de actiegroep Herstel NL. De groep voert campagne voor een alternatieve, meer open strategie bij de bestrijding van het coronavirus. Volgens de groep zouden winkels, horeca, het onderwijs en de cultuursector weer open kunnen als tegelijkertijd de 'kwetsbaren' in 'veilige zones' leven. De actie kocht in verschillende steden reclameruimte in om de boodschap te verkondigen. Jacobs gaf als reden voor zijn stap dat Herstel NL 'te veel een actiegroep is geworden, waar ik mij niet gelukkig bij voel'.

De econoom Arnoud Boot gebruikte datzelfde argument in de talkshow Op1 om de stap van zijn collega's te ondersteunen. Hij vond dat de economen door hun deelname aan deze actiegroep ‘de verkeerde afslag hebben genomen’ en vertelde dat hij de uitnodiging van de talkshow had aangenomen om ‘de wetenschap te verdedigen’. 'Er is geen enkele belemmering voor economen om aan het debat deel te nemen', bezweert Boot. 'Er zijn wél momenten waarop je als econoom met uitspraken onrust kunt veroorzaken, wat ongewenst is.' Volgens Boot is het de taak van economen om argumenten aan te dragen. 'Ze moeten zich niet vastbijten in eigen standpunten. Natuurlijk mag een econoom een mening hebben, maar die moet je scheiden van de rol van expert. Als ze zeggen: je moet a of b doen, vervullen ze een verkeerde rol. Dat is echt aan de politiek.' 

12 februari 2021

'De verdwijntruc voor kritiek op Israël'


Groenlinks heeft het verzet tegen het gebruik van de IHRA-definitie van antisemitisme gestaakt. Op 1 december 2020 stemde de GroenLinks fractie voor een motie van de SGP-lid Bisschop waarin de Kamer de regering verzoekt te "bevorderen dat deze definitie voortvarend en herkenbaar in uitvoering komt in de opsporing en vervolging van antisemitisme." Het congres van GroenLinks in januari bevestigde het standpunt van de fractie door met tweederde meerderheid een motie te verwerpen die de IHRA-definitie als instrument bij de  bestrijding van antisemitisme afwees. In 2018 stemde GroenLinks nog tegen een overeenkomstige motie van de SGP. De PvdA was al eerder overstag gegaan. Alleen de SP, de PvdD en Denk hebben nog steeds bezwaren tegen het hanteren van de IHRA-definitie vanwege de risico's op vermenging van discriminerende uitingen tegen Joden met kritiek op Israël. In antwoord op de vraag van Bisschop, liet minister Grapperhaus weten dat de IHRA-definitie “met bijbehorende indicatoren gedeeld” is met politie en OM. Deze kunnen meegewogen worden bij het opnemen van een aangifte in het oordeel of sprake is van groepsbelediging, haatzaaien of een discriminatoir aspect, aldus de minister. 

Omstreden

De IHRA-definitie is van begin af aan omstreden geweest. Zelfs de oorspronkelijke opsteller, de Amerikaan Kenneth Stern, waarschuwt voor de risico's van aantasting van de vrijheid van meningsuiting. "De internationale Israël-lobby probeert de definitie overal door overheden en instellingen te laten verankeren, maar daarvoor is die nooit bedoeld geweest," volgens Stern. Het heeft vele landen, partijen en politici er niet van weerhouden deze 'niet-bindende' tekst te aanvaarden in de strijd tegen antisemitisme. De definitie zelf is nogal vaag, maar de belangrijkste bezwaren richten zich tegen de 'voorbeelden', die minister Grapperhaus nu kennelijk heeft aanvaard als 'indicatoren' van antisemitisme voor politie en OM. In deze voorbeelden wordt de staat Israël diverse keren gebruikt. Bijvoorbeeld: als je Israël iets verwijt dat je andere landen niet verwijt wijst dat op een dubbele standaard die voortkomt uit antisemitisme. 

Jaap Hamburger, voorzitter van Een Ander Joods Geluid (EAJG), geeft een uitvoerige kritiek op het misbruik van de IHRA-definitie onder de titel 'De krimpende ruimte voor het debat over Israël en Palestina'. Hij schrijft onder meer dat de voorbeelden die de IHRA toevoegde aan de eigenlijke definitie nooit bedoeld zijn als bewijs voor antisemitische uitingen. Hij verwijst naar Stern die de voorbeelden ziet als 'hulpmiddel ten behoeve van monitoring van en onderzoek naar antisemitisme.' Het is niet voor niets een 'werk-definitie'. Hamburger: Die werkdefinitie "is doelbewust gekaapt, met voorbeelden en al verabsoluteerd, gepolitiseerd en omgesmeed tot een wapen onder het mom van ‘de strijd tegen antisemitisme’."

BDS

In de afgelopen jaren hebben rechtse partijen zoals de SGP meerdere malen geprobeerd de strijd tegen antisemitisme om te vormen tot strijd tegen organisaties en acties die zich richten tegen de Israëlische bezettingspolitiek. In 2015 nam ook de PvdA, bij monde van Michiel Servaes, mede namens D66, GroenLinks, SP en Denk daar nog duidelijk afstand van. In antwoord op Kamervragen van de voormalige PVV-leden Bontes en Van Klaveren benadrukte het kabinet 'dat het van belang is om onderscheid te blijven maken tussen stellingname ten aan zien van Israël en antisemitisme.' In 2016 antwoordde toenmalig minister Koenders van Buitenlandse Zaken op vragen van Groenlinks dat oproepen tot boycot, divestment en sancties (BDS) tegen bedrijven die investeren in de kolonisatie van de West-Bank vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Een tijdelijke nederlaag voor de Israël-lobby die BDS overal veroordeeld wilde hebben als vorm van antisemitisme. De lobby bleef echter aandringen, en met succes. In 2017 ging het Europees Parlement om en in 2018 de Nederlandse regering. 

Apartheid

Hamburgers analyse van het misbruik van de IHRA-definitie is pijnlijk. "De definitie fungeert als de perfecte verdwijntruc voor elke kritische notie over Israël," schrijft hij. En elke kritische noot over organisaties of personen die zich volledig identificeren met de staat Israël. Kritiek op de bezettingspolitiek, het geweld van het Israëlische leger, van de kolonisten, het kan allemaal verdraaid worden als antisemitisme. Wat we nu in de afgelopen jaren in het politieke debat hebben gezien is dat dit werkt. Nooit eerder is er zo omzichtig omgesprongen met standpunten over Israël. De IHRA-definitie draagt op deze manier bij aan het sanctioneren van een apartheidsstaat. Volgens de voorbeelden die bij de definitie worden gegeven is deze zinsnede niet langer een discutabele uitspraak maar een onaanvaardbare racistische uiting: Denying the Jewish people their right to self-determination, e.g., by claiming that the existence of a State of Israel is a racist endeavor.’ Op deze manier, concludeert Hamburger, wordt "het begrip antisemitisme uitgehold en wordt de bestrijding van hardcore antisemitisme juist bemoeilijkt." Het is buitengewoon pijnlijk dat politieke partijen zoals GroenLinks en de PvdA die bestrijding van discriminatie hoog in het vaandel hebben staan hierin meegaan. 

[foto: A Pro Palestinian March at Rathaus Neukölln, Felipe Tofani CC]

29 januari 2021

Afrekencultuur

Abdelkader Benali heeft zich teruggetrokken als spreker bij de Dodenherdenking. Toen bekend werd dat hij was gevraagd door het 4 en 5 mei Comité ontstond er ophef over uitspraken die hij vijftien jaar geleden in een dronken bui in Libanon had gedaan tegen oorlogsverslaggever Harald Doornbos, die er melding van maakte in een column in de Haagse Post. Benali had tegen Doornbos gezegd dat hij zich als Marokkaanse Nederlander nauwelijks op z’n gemak voelde in Amsterdam-Zuid waar hij toen woonde, vanwege ‘al die Joden daar’. Wie dit vuurtje heeft aangeblazen is niet duidelijk, maar Benali voelde zich afgebrand en vond uiteindelijk dat hij maar beter kon afzien van de lezing. 'Op 4 mei komen we bij elkaar om te herdenken en de discussie rond mijn uitlatingen mag mensen daarbij niet hinderen', liet hij weten. In het radioprogramma OVT maakte hij zijn excuses. 'Misplaatste grappen over Joodse Nederlanders maken mij niet tot een geschikte spreker. Ook na uitvoerig praten met vertegenwoordigers van Joodse organisaties ging de twijfel niet weg. En dat spijt me zeer. Het was nooit mijn bedoeling om mensen te kwetsen, toen niet, nu niet, morgen niet. Nooit niet. Mijn excuses.'

Benali is wel boos over alle ophef. Dat iets je vijftien jaar later nog kan worden nagedragen, iets dat je ooit in een aangeschoten bui gekscherend riep, doet pijn. ‘Cancel culture’, noemt hij het. Afrekencultuur. 'Ik voel woede om mijn kwetsbaarheid, want met alle uitspraken die anderen niet bevallen, word ik als moslimbroeder en antisemiet bestempeld.' Ik ben geen antisemiet en ik hoef niets uit te leggen, zegt hij. Toch vond hij het wel belangrijk om excuses te maken. Want ook ironie kan kwetsend zijn. 

15 januari 2021

De Donner-doctrine


Een van de oorzaken achter het drama van de kinderopvangtoeslagen zou gelegen zijn in de Rutte-doctrine, de neiging van de premier om 'bij problemen zo weinig mogelijk informatie te verstrekken'. Nadat Trouw en RTL in 2018 via Wob-procedures stukken boven tafel hadden gekregen over onterechte terugvorderingen van toeslagen door de Belastingdienst, werden Kamerleden die er meer over wilden weten consequent met een kluitje het riet in gestuurd. Een onderzoekscommissie onder leiding van oud-lid van de Raad van State Piet Hein Donner liet nog veel vragen open. Volgens onderzoek van FTM heeft de commissie beschikbare informatie laten liggen en hield zij het ministerie van Sociale Zaken en toenmalig verantwoordelijk minister Asscher uit de wind. Pas in december vorig jaar kwamen de enorme omvang en de ernst van het probleem aan het licht in de 'snoeiharde' conclusies van het eindrapport van de parlementaire onderzoekscommissie Ongekend Onrecht. 'De commissie zegt dat de informatievoorziening vanuit de rijksoverheid op allerlei fronten onvoldoende is. Volgens het rapport was die in meerdere gevallen ingegeven door gewenste juridische of politieke uitkomsten. De commissie constateert dat de Tweede Kamer bij herhaling geconfronteerd is met ontijdige, onvolledige en onjuiste informatie.'

Informatieplicht

De rijksoverheid handelde in deze affaire in strijd met artikel 68 van de Grondwet, dat gaat over het informeren van de volksvertegenwoordiging. Die grondwettelijke plicht staat los van de Wet Openbaarheid Bestuur (Wob) , die burgers al dan niet via de pers, het recht geeft beleidsstukken in te zien. Daarbij mag de overheid dan wel 'persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren' uit het zicht houden. Volgens Guido Enthoven, die promoveerde op het informeren van de Kamer, wordt deze regel ook toegepast op informatie die naar de Kamer gaat. Dat sluit dan aan bij een oekaze van voormalig premier Kok, die het ambtenaren verbood rechtstreeks in contact te treden met leden van het parlement. 

27 december 2020

Wat deed Zembla fout?

 


BNN/VARA heeft gebroken met de Raad voor de Journalistiek. Dat wil zeggen dat de omroep de oordelen van de Raad gaat negeren in afwachting verbeteringen in de procedures die volgens BNN/VARA noodzakelijk zijn. Aanleiding is de kritiek van de Raad op de uitzending van Zembla over de granuliet affaire van begin dit jaar. Daarin wordt de top van Rijkswaterstaat ervan beschuldigd te zijn bezweken voor de druk van oud-minister Halbe Zijlstra (foto) die nu werkt voor Volker-Stevin, een groot wegenbouwbedrijf. De wegenbouw zou ernstige vertraging oplopen als een bedrijf dat grondstoffen voor asfalt levert zijn afval niet mag dumpen in natuurgebieden. Het bedrijf claimt daarvoor toestemming te hebben omdat het afval als grond kan worden aangemerkt. Dat wordt door deskundigen, ook binnen Rijkswaterstaat, bestreden. Zijlstra heeft er volgens Zembla alles aan gedaan om de tegenstand tegen het dumpen van dit afval ongedaan te maken. 

De Raad voor de Journalistiek heeft de zaak tegen Zembla aangespannen na klachten van het bedrijf GIB van de gebroeders Bontrup dat granuliet heeft gestort in een plas in de uiterwaarden van de Maas tussen Alphen en Dreumel. De Raad spreekt over: 'ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers, die erop neerkomen dat zij ontoelaatbaar en zelfs strafbaar hebben gehandeld. Klagers hebben zowel in het stadium van informatievergaring als in het kader van wederhoor informatie aan Zembla verstrekt, maar daaraan is onvoldoende aandacht besteed. Bovendien is de beschuldiging van strafbaar handelen niet van genoeg context en duiding voorzien. Een en ander heeft geleid tot eenzijdige, onevenwichtige en tendentieuze berichtgeving. Zembla heeft daarmee journalistiek onzorgvuldig gehandeld.'