16 september 2026

Waar gaat het om bij de vrijheid van meningsuiting?

 

De historicus Fara Dabhoiwala kwam onlangs in het nieuws met zijn boek What Is Free Speech. De ondertitel is De oorsprong van een gevaarlijk idee. Dabhoiwala deed tien jaar lang onderzoek naar de geschiedenis van de vrijheid van meningsuiting. Hij ontdekte dat dat begrip in het begin van de achttiende eeuw enorm populair werd door de verspreiding van de Cato Letters, kritische commentaren op de Engelse regering en de heersende corruptie die ook gretig werden gelezen door de Amerikaanse kolonisten. Hij noemt de auteurs Thomas Gordon en John Trenchard 'opportunistische broodschrijvers' omdat uiteindelijk hun opdrachtgever bepaalde wat hun mening was. Ze waren in te huren door iedereen en een van hen trad later ook in dienst van de regering. Maar de Cato Letters hebben in die tijd wel een geweldige invloed gehad op de verspreiding van het idee van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. In de Amerikaanse grondwet uit 1791 is de bescherming van free speech opgenomen in het eerste artikel. Waarbij wel moet worden aangetekend dat hierbij de overheid gebonden is. Particuliere organisaties, bedrijven, kerken, scholen hebben altijd de vrijheid behouden publicaties te verbieden en mensen de mond te snoeren. 

Fara Dabhoiwala's geschiedenis van 'een gevaarlijk idee' benadrukt vooral het eigen belang van degenen die opkomen voor de vrijheid van meningsuiting. In het interview in Trouw laakt hij het gebrek aan regels op het internet met alle schadelijke gevolgen van dien. Daar heeft hij wel een punt. Maar ik zou zeggen juist omdat de vrijheid van meningsuiting in oorsprong niet zozeer particuliere belangen dient maar een algemeen belang. Het blijft hoe dan ook een onmisbare voorwaarde voor een gezond politiek debat in een democratische samenleving. En die kant van het verhaal miste ik in het interview.  

Het recht op de vrijheid van meningsuiting gaat niet alleen over schreeuwers, bedriegers en kwakzalvers. Het is een wederkerig recht op basis van gelijkwaardigheid van deelnemers aan het publieke debat. Met name die gelijkwaardigheid is van begin af aan door de propagandisten van de uitingsvrijheid benadrukt, al moet er bij opgemerkt worden, zoals Dabhoiwala ook doet, dat vrouwen en gekleurde mensen aanvankelijk niet in beeld waren bij de meeste vrijheidsstrijders. 

Wederkerigheid betekent dat als ik jou het recht ontneem om je te uiten dat ik dan ook geen recht van spreken meer heb. En dat kan ten koste van ons allen gaan. Het ene denkbeeld is misschien beter dan het andere, maar alleen als alle denkbeelden in het debat betrokken worden komen we tot een maatschappelijk aanvaardbaar besluit, zoals de 19e eeuwse liberale filosoof John Stuart Mill betoogde. Dezelfde Mill die de grens voor de vrijheid legde bij de schade die anderen kan worden toegebracht. Vandaar dat er terecht wettelijke grenzen zijn gesteld aan de vrijheid van meningsuiting. Niet om iemand in woord of gedachten te disciplineren maar om schade aan anderen te voorkomen. Ik zou het erg jammer vinden als die oorspronkelijke waarde van het recht op vrijheid van meningsuiting genegeerd wordt omdat het internet nu zo sterk gedomineerd wordt door de geldwolven van Big Tech. 

Geen opmerkingen: